Vijfde avond dwingt tot luisteren
Artiom Shishkov en Nancy Zhou Foto: belga
Hoe dieper in de wedstrijd, hoe minder stenen en kiezels op de weg. De tweede helft van deze jubileumeditie laat steeds meer fouten achter zich en koerst recht af op de muziek. De vooravond van deze Elisabethwedstrijd was dan ook de eerste die op zoiets als een concert leek.

Zingen doet elk vogeltje zoals het gebekt is. Het ene kwinkeliert vol goed gemoed, kiest voor de kromme vlucht – ook als rechtlijnigheid een optie is. Het andere houdt zijn melodielijn krap en strak, koestert het beschouwelijk moment.

Ergens in die tweede categorie houdt Artiom Shishkov zich op. Reeds in de halve finale had deze Wit-Russische violist zich in de kijker gewerkt met zijn introverte mededeelzaamheid en subtiel vastgelegde bewegingen.

Voor zijn finaleproef zette Shishkov Brahms’ Derde vioolsonate op de pupiter: hetzelfde, door herfstschaduwen omzwachtelde werk dat op de tweede avond van het concours tweemaal weerklonk. Toen kwam Shin Hyun Su het dichtst nabij Brahms’ poëzie van stilstand en actie te staan. De interpretatie die Shishkov neerzette, ging daarin nog een heel eind verder. Dat hij vanuit die reden een persoonlijke begeleidster (Dasha Moroz) meebracht, was niet meer dan normaal. De dunne, lichtblauw aderende sound van zijn Guarneri leek aanvankelijk weinig door te stromen, ook al bediende Shishkov zich van een impulsieve linkerhand.

Maar gaandeweg werd duidelijk dat Shishkov het wordingsproces van deze muziek in kaart wilde brengen. Genadeloos simpel en onomwonden stil voerde hij de luisteraar vanuit het niets over een moeras van dominantbassen naar de enig echte climax van deze beweging.

Ook in de overige delen toonde Shishkov zich zeer selectief met wat hij wel en niet vertelde. Zo maakte hij in de overrompelend naïeve tweede beweging een ademberovende U-turn. Of koos hij ervoor om de zelfdestructieve prikkelingen van het scherzo aan te brengen zonder de esprit die daar doorgaans aan te pas komt. Al die tijd, zo bleek, lag bij hem de climax van de finale in het verschiet. Waardoor zijn interpretatie leek op een boek dat zijn verhaallijn maar heel traagzaam prijsgeeft en dat je na het toeslaan van de kaft opnieuw wil lezen, alleen maar om het dieper te begrijpen.

Shishkovs zin voor vertelperspectief werd ook duidelijk in zijn interpretatie van het plichtstuk, dat met hem als solist zowat de langzaamste vertolking van de reeks opleverde. Dankzij hem kwamen, ook wel eens leuk, niet de manco’s, maar wel de merites van Sakai Kenji’s muzikale trappencomplex in de kijker. Shishkov maakte dankbaar gebruik van zijn krantenpapieren solsnaar om Sakai’s doolhofvertelling op te trekken vanuit het punt nul.

De zwijgkramp van Shishkov deed het allerbeste verlangen voor zijn Tsjajkovskiconcerto, dat met hem als solist een ontwapenend organische geleding meekreeg. Hoe autonoom het structuurbesef van deze violist is, bleek bijvoorbeeld uit de cadens, waarvan de vouwen (de kalmte die intreedt na de eerste pits, de penseelstrijkende fluittonen, het spreitje dat voor de solofluit opengegooid wordt) met vaste hand aangebracht werden. Herbeluisteren is andermaal het codewoord.

Ook de tweede finalist van de avond maakte muziek in een betekenisgevende context. Nog geen twintig jaar is de Amerikaanse Nancy Zhou, en ook aan haar rozig saaie jurk zou je niet verwachten met een volgroeide soliste van doen te hebben. Zhou had aardig wat tijd nodig om haar viool gestemd te krijgen, maar liet zich door dat voorval niet uit het lood slaan. Ze wist dat het geluid van haar Amati uit 1607 de gelukzaligheid bezit van een Mignonette-chocolaatje dat naast een tas warme koffie heeft gelegen: licht gesmolten aan de omtrek, maar voor het overige royaal in zinnelijkheid. Die sensuele sound bracht ze met veel overtuiging aan op Prokofjevs Eerste vioolsonate.

Zhou had de grafzerken atmosfeer van deze muziek goed begrepen, deed eer aan de demonische snaarstrijkerij in de tweede beweging en bracht een rijkgeschakeerd kleurenscala aan in de derde beweging. Met hoeveel gerijptheid ze deze muziek aanpakte, bleek uit de climax van de finale, even voor de terugkeer van de huiverende luchtstroom die deze sonate bespookt. Zhou maakte deze met agressie en wanhoop overladen passage tot het synthetisch hoogtepunt van de hele sonate. De enkele afgestreken gestes die volgden, bezaten de verslappende levenskracht van een stervenszucht.

De mindere autoriteit die Zhou in het plichtwerk toonde, werd ruim goedgemaakt door wat alvast technisch de meest volmaakte uitvoering van het Sibeliusconcerto was. Zhou liet haar Amerikaanse scholing gelden en opteerde voor forsige borstelstreken en breed ademende melodieën.

Ook wie de meer schoksgewijze, variabele vertelling van Shin prefereert, moet toegeven: zo kan het ook. En heel goed zelfs: van afmatting in het gespannen ritme van de finale was amper sprake. Aan het breken van conventies is Zhou als tiener nog niet toe, maar eens ze daar klaar voor is, kan deze dame erg groot worden.