Een blinde vlek op de kaart, zelfs voor fietsers, is Albanië niet meer. Al worden de wegen er sinds de gemeenteraadsverkiezingen van mei 2011 weer iets minder voortvarend aangelegd, de vooruitgang is niet meer te stuiten. Veilig rondreizen kun je er tegenwoordig ook: vergeet de wilde maffiaverhalen. Albanië ligt op de aantrekkelijkste route door de Balkan naar Griekenland en Turkije. Daar heeft de mooie kustlijn van de Ionische Zee veel mee te maken. De belangrijkste kustplaats is Saranda, op amper een half uurtje varen van het Griekse eiland Korfoe. Dankzij de vele chartervluchten is dat een ideale toegangspoort.

Als we vanaf de aanlegsteiger voor de ferry de stad binnenfietsen, worden onze onbewuste vooroordelen toch even bevestigd: een donker jongetje dat agressief om een euro bedelt, zwarte rook uitbrakende oude Mercedessen. Maar dan blijkt al snel dat we de foute kant opgereden waren. Geen nood, de flaneerboulevard met palmbomen langs de hoefijzervormige baai en de restaurantjes zijn gezellig zuiders. De sfeer is onbekommerd, met veel gezinnen met kinderen en aardig jong volk.

Cement en veldbloemen
Even genieten, want hierna begint het echte werk. Na een straffe espresso, op zijn Italiaans met een glaasje water erbij, zetten we onze kuiten onder hoogspanning en fietsen we de uitvalsweg richting Vlora op: een nijdige klim van een kilometer of twee over een drukke viervaksweg. Fietspaden hoef je hier niet te verwachten. Het kwik wijst dertig graden aan, we voelen voor het eerst het volle gewicht van onze zij- en stuurtassen. Aan het eerste kruispunt nemen we al de verkeerde afslag: er staat helemaal niets aangeduid en we suizen richting bergweg naar Gjirokastër. Even niet. We moeten een kilometer terug omhoog over een steile gravelweg vol kuilen, toeterende vrachtwagens en bussen. Een jongetje op een BMX-fietsje houdt ons moeiteloos bij.

Gelukkig zitten we al snel weer op koers. Na wat steenstort, vuilnisbelten en de obligate cementfabriek rijden we eindelijk door de fraaie, groene Zuid-Albanese heuvels. Het is een patroon dat we nog zullen meemaken: rommel vormt hier de buitenring rond de stadjes, gore schoorstenen stoten melkwitte wolken uit. Maar daarna volgt heerlijk ongerept platteland vol veldbloemen, met in de verte de schemerig blauwe karstwanden van het Pindusgebergte.

Kronkelende kustweg
Olijfgaarden, dichte olijfgaarden. En oleanders. Noord-Epirus, de historische naam van deze streek, is merkelijk minder dor dan delen van Dalmatië, verder naar het noorden. Het klimaat is vergelijkbaar met Korfoe: drukkend warm in de late lente, misschien nét iets minder vochtig. Links passeren we een bronnetje, rechts een orthodox kerkje. Dan komt de eerste klim naar het bergdorpje Lukova, met zijn afbladderende woonkazernes en bruine koeien op straat. Met kloppende slapen vlijen we ons neer op een terrasstoel. De ijsthee smaakt, de Turkse koffie erop ook alweer. Dan slingert de weg zich zachtjes dalend weer naar de kust toe. In de verte zien we Korfoe en de al even Griekse Diapondia-eilanden Othoni, Ereikoussa en Mathraki. Een schitterend kustpanorama dat ons de hele tocht lang zal vergezellen.

De lucht geurt hevig naar kruiden en hooiland. Rechts van ons ligt het onherbergzame Albanese binnenland. Het is heerlijk rijden op deze kustweg: er is weinig verkeer en de bestuurders zijn hoffelijk. Af en toe worden we ingehaald door bussen en vrachtwagens die ons met een wijde boog, maar flink toeterend, omzeilen. Het patroon wordt al snel duidelijk: vanaf zeeniveau puffen we vierhonderd meter naar omhoog, daarna suizen we dezelfde hoogtemeters weer naar beneden om er vervolgens opnieuw enkele honderden te stijgen. In de hitte en met alle bagage maakt het het fietsen behoorlijk pittig. Maar dan verwelkomt ons boven Borsh een zilt zeebriesje. In het zadel houden we tijdens de kilometerslange afdaling ons T-shirt met onze tanden op, ter afkoeling: het zweet loop tappelings van onze rug.

Het stadje ligt aan een magistraal weidse baai. We zijn blij als we inchecken in het gloednieuwe Bella Vista hotel, een privé-initiatief van de kaalhoofdige Enver met zijn cockneyaccent en spieren als scheepskabels. Enver pendelt met zijn zwarte Mercedes heen en weer tussen Londen en Albanië. Hij is beleefd en hij was net zijn plantjes aan het wateren, maar iets zegt ons dat we géén ruzie met hem willen. Voor twaalf en een halve euro per persoon in een kraakheldere kamer met badkamer en tv is daar ook geen reden toe. De fietsen mogen veilig achter het ijzeren hek. Samen met een stel Zwitserse motorrijders zijn de we enige gasten. We zullen het nog vaker meemaken tijdens onze tocht. Als het aan Enver ligt, is Borsh over een paar jaar het nieuwe Bodrum. Ook het obligate casino staat al in de steigers, maar voorlopig loop je op het kilometers lange zandstrand alleen voorbij een tweetal houten eethuisjes, waar je voor geen geld de heerlijkste calamari of gegrilde sardientjes bestelt.

Het geweer van Clark
Albanië was vijfhonderd jaar lang Ottomaans grondgebied, maar veel Turkse overblijfselen vind je niet langs deze ooit Griekstalige kust. In het Zuid-Albanese binnenland vormen stadjes als Berat en Gjirokastër wél nagenoeg perfect bewaarde staaltjes Ottomaanse architectuur. Aan de zogenaamde Museumsteden werd zelfs onder het communistische bewind niet geraakt.
Toch is, als we in de koele, naar tijm geurende ochtendbries langs het fort van Porto Palermo (het Kalaja e Porto Palermos) fietsen, 'Turks' het eerste wat in ons opkomt als we het fort gaan bekijken. Deze regio was de sanjak – de provincie – van de befaamde ijzervreter Ali Pasha van Tepelena, die vanuit zijn hoofdkwartier Ioannina in de vroege negentiende eeuw heel Albanië en West-Griekenland onder zijn heerschappij wist te brengen. Alleen had hij dat niet gevraagd aan zijn baas, de sultan, en aldus eindigde zijn hoofd op een gouden schaal in Constantinopel.
Maar net als het fort van Butrint bij Saranda, naast de gelijknamige Romeinse site, dateert Porto Palermo uit de Venetiaanse tijd, de late middeleeuwen dus. Voor de Venetianen verzekerden deze vestingen de vrije doorgang van de Adriatische naar de Middellandse Zee.

In de uit de kluiten gewassen eilandvesting kun je lelijk verdwalen, zo merken we algauw. Vanaf de verweerde granieten wallen zien we de azuurblauwe Ionische Zee schitteren. Een klas pubers op schoolreis maakt het terrein onveilig, en Clark, de suppoost, neemt ons bij de arm om een praatje te maken. Hij draagt een cowboyhoed en aan zijn schouder bungelt een ouderwets jachtgeweer. Vroeger was het hier een vakantiekamp, zegt hij, wijzend op de afbladderende opschriften op een paar lege barakken. We onderscheiden inderdaad de woorden 'partij' en 'programma'. Onder de dictator Enver Hoxha (1946-1985) was Albanië het Noord-Korea van Europa, potdicht afgesloten voor de buitenwereld. Hoxha liet duizenden koepelvormige bunkertjes bouwen om de dreigende invasie van het kapitalistische Westen te kunnen afslaan. Je ziet de bouwsels nog overal langs de kust, hoewel er steeds meer worden uitgegraven en opgeblazen. Volgens Clark wordt dit stuk Albanië binnenkort een vakantieparadijs – 'op voorwaarde dat we niet zo arm worden als Griekenland'. Het kan verkeren, zei ooit Bredero.

Drymades Beach
Geen toevallige vergelijking, die met Griekenland: Ook de Helleense invloed is hier overal voelbaar. In het stadje Himara staat het kerkhof vol Griekse opschriften en orthodoxe kruisen. Het viel ons al eerder op: dit deel van Albanië is Griekstalig. Nog steeds, na al die jaren van communistische albanisering. Op muren staan graffiti met het opschrift Mega Hellas of Groot-Griekenland. Het is een facet van het Balkannationalisme dat we nog niet kenden. Maar blijkbaar zijn niet alle inwoners overtuigd van het heil van een aansluiting bij Griekenland, want af en toe zien we dat het woord Mega overspoten is met het al even bijvoeglijke Fuck. Twee toerfietsers uit Duitsland kruisen ons pad, ze zijn op weg naar Israël. We delen een heerlijk gekruid vleesspiesje aan een bushalte, een tienermeisje staat ze vrolijk te bakken op de barbecue. Wij bakken noodgedwongen verder op het zwarte asfalt. Het weerbericht van de Albanese tv is formeel: we fietsen in een hittegolf.

Na een alweer kilometerslange heuvelrug zien we links in de diepte het witte zand van Dhërmi – Drymades in het Grieks – liggen, het eindpunt van onze Ionische fietsroute. Vanaf het befaamde strand kronkelt de weg verder naar de havenstad Vlora, maar daarvoor moet je eerst de elfhonderd meter hoge Llogarapas over. Voor ons, argeloze vakantiefietsers, ziet die er net iets te afschrikwekkend uit: een kilometerslange schaduwloze klim tegen ruwe bergflanken op. Tja, trans-Balkanambities koesteren we niet: we houden de berg in reserve voor een volgende keer en zetten de afdaling in naar zee. De mooiste ongerepte stranden van de Albanese kust? You bet. Het water is kristalhelder, de krekels geven een gratis concert. Hopen maar dat het nog even zo blijft, want de constructiewoede bereikt stilaan een climax. Overal wordt gehamerd, geklopt en geboord. We relaxen op het heerlijke houten terras van Luciano's Café en bestellen nog maar eens een geweldige zeevruchtensalade. Voor amper vijf euro smullen we van een heerlijk riante portie inktvis, mosselen en sint-jakobsvruchten. Tirana-biertje of ouzo erbij, en het concept avontuurlijk fietsen in Albanië krijgt meteen een heel nieuwe invulling. En ja, we geven het volmondig toe: dat was precies de bedoeling.