Baptiste heet hij, mijn eerste kennismaking met de bewoners van het grootste eiland van Frankrijk. Kaal, norse blik, een hoofd dat uit het graniet lijkt te zijn gehouwen dat zo typisch is voor zijn geboorte-eiland, en onze buschauffeur met dienst. Ik heb bijzonder snel door dat Baptiste niet meteen de meest spraakzame vis uit de vijver is, en schat de kans dat hij ooit een cassettebandje van een passagier zal opleggen als 'zo goed als onbestaande' in. De perfecte introductie tot de gemiddelde Corsicaan, zal ik later beseffen, zeker omdat zijn graniet de komende dagen stukje bij beetje zal afbrokkelen, tot hij op een avond vol overgave karaoke zal staan zingen in de bar van het hotel. Maar zo ver zijn we nog lang niet.

De Corsicanen mogen dan wel een volk van weinig woorden zijn, als ze je eenmaal mogen, worden alle zeilen bijgezet om je een fijne tijd te bezorgen. 'Mensen moeten moeite doen om het eiland te bereiken', zullen we tijdens onze reis een paar keer horen, 'dan moet je hen toch goed ontvangen?' En dat de toegangsdeur tot hun land dan misschien niet wagenwijd openstaat, maar wel op een kier. Dat je dus alleen een beetje moet duwen. Zo voelt het ook als je na een tgv-rit van vijf uur naar Marseille en een nachtelijke ferrytocht van twaalf uur en 390 kilometer –compleet met bar, waar Bailando van het wereldvermaarde Paradiso non-stop in een loop wordt gedraaid– de haven van Bastia komt binnengevaren, tussen twee vuurtorens door. Voor je een indrukwekkende rots die uit zee opdoemt, bezaaid met gele en roze huisjes die op de onmogelijkste plaatsen lijken te zijn uitgestrooid. Iets hogerop op de rots het maquis, een vorm van lage bergbegroeiing die je over heel Corsica aantreft en die zo kruidig geurt dat je, als de wind goed zit, het eiland soms al kunt ruiken tijdens de overtocht.

Hard to get
Als je eenmaal aangekomen bent, is niet alles op het grillige eiland even evident. Corsica is hard to get: omgeven door een rotsachtige kustlijn, ruw, bijzonder weinig vlak, geaderd met slingerende bergweggetjes die uitzicht bieden over diepe ravijnen. Honderd bergtoppen liggen hier hoger dan tweeduizend meter, wat Corsica het kroontje van meest bergachtige eiland van de Middellandse Zee oplevert.

In de streek van de Désert des Agriates, een onherbergzaam gebied van 16.000 hectare waarvoor je maar beter je terreinwagen van stal kunt halen, worden we gedurende een uur zo hard door elkaar geschud dat ik me een proefkonijn voor Touristil waan. De beloning ligt nochtans amper twaalf kilometer verder: een hagelwit strand, compleet met azuurblauw water, zicht op imposante rotsen en alle plaats van de wereld om je handdoekje uit te vouwen. Als er geen koeien op je plek van voorkeur liggen, evenwel, want de wilde dieren zoeken het strand van Sallecia op om de zouttekorten in hun logge lichamen aan te vullen. De enkele toeristen die ook de hobbelweg zijn afgekomen, zijn zo blij met het vreemde plaatje voor het thuisfront dat ze er de gigantische donkere vlaaien langs de waterlijn dan maar bij nemen. Net als de geur: de eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat de kruidigheid van het maquis er niks bij is. En hoe wantrouwig ik ook word van ronkende reisgidstitels al L'Ile de la Beauté, het blijkt een gouden regel op Corsica: de beklimming waar je je belabberde conditie het hardst bij vervloekt, levert een uitzicht over de mooiste azuurblauwe baaien op, en de smalste slingerweggetjes langs de akeligste ravijnen brengen je naar een dorpje in de bergen dat daar wel door Walt Disney lijkt te zijn neergepoot. In de vallei van Asco krijgen we een mallotig blauw helmpje op ons hoofd en worden we na een zware klim nog maar eens omvergeblazen door het uitzicht. Corsica delivers, keer op keer.

Stranden met wilde koeien, tot daar aan toe, maar met de fauna op het eiland Corsica is meer aan de hand. Eilanddwerggroei, meer bepaald, waardoor konijnen in Corsica volgens onze Corsicaanse natuurgids even klein zijn als muizen, en omgekeerd. Ik vraag me tijdens die uitleg stiekem af of de kleine gestalte van Corsica's bekendste inwoner Napoleon iets met dat gegeven te maken heeft, maar ik wil het risico niet nemen om achtergelaten te worden op een plek waar muizen zo groot als konijnen kunnen zitten, en ik zwijg wijselijk. In zijn geboorteplaats Ajaccio verwijst immers zo goed als elke bar of hotel naar Napoleon, en misschien zijn grapjes over de omvang van diens generaal wel not done.

Nog iets waar ze –erg terecht trouwens– trots op zijn, is hun charcuterie. De Corsicanen beweren dat er voor het maken van hun superlekkere coppa's (gemaakt van varkensschouder) en salame's alleen gebruik wordt gemaakt van de beste varkens die vet hebben dat roze gekleurd is in plaats van wit. ('Heeeel belangrijk!') De vele wilde koeien, kalfjes, berggeiten, vossen en andere dieren die we tijdens onze tocht om de haverklap langs de weg tegenkomen, mogen dus op beide oren slapen.

Geloof nooit een Corsicaanse gids
Nog een gouden raad: vertrouw nooit, maar dan ook nooit, een Corsicaanse toergids. Volgens hem is de tocht die je binnen luttele ogenblikken onder zijn leiding zult aanvatten, nooit ver, hoog, ruw, gevaarlijk of steil, ook al is het verder, hoger, ruwer, gevaarlijker en steiler dan je je had kunnen inbeelden. Onze natuurgids Eric nam ons mee op een 'vlakke wandeling' in de natuur, die ervoor zorgde dat we ons na een paar kuitenbijters from hell stonden af te vragen wat Eric dan wel voor een helling hield. We hadden het hem zelf gevraagd, ware het niet dat we al onze resterende zuurstof nodig hadden om niet flauw te vallen.

Even later omschreef dezelfde Eric de GR20, de helse wandelroute die dwars door Corsica gaat en diehardwandelaars over de hele wereld doet beven in hun trekschoenen, als 'niet bepaald moeilijk, alleen jammer van die stinkende toiletten langs het parcours'. Als je weet dat meer dan de helft van de starters de finish niet of slechts in een taxi haalt, dan weet je genoeg. Wij halen de finish van ons bergwandelingetje net, en opnieuw is het uitzicht fenomenaal. Volgens Eric is het nog een klein stukje hoger nóg fenomenaler, maar we bedanken. We kennen zijn kleine stukjes hoger.

Gelukkig is er na elke klim wel eten voorzien, en in Corsica kan dat bijzonder lekker zijn. Wat speculaas is voor ons platte landje, dat is de kastanje voor Corsica. Volgens een oud Corsicaans gezegde speelt het hele leven van de eilandbewoner zich af onder invloed van de kastanjeboom, en dat zou wel eens kunnen kloppen. Na een week in Corsica besef je dat kastanjes, die zowel terug te vinden zijn in de bergen als op plantages en er met de hand worden geplukt, werkelijk overal in verwerkt kunnen worden. Wij aten ijs van kastanje, sorbet van kastanje, crème van kastanje, koekjes met kastanjevulling, snoepjes van kastanje en spoelden alles door met Pietra, een veelgeschonken blond biertje van zes graden, waarvan de mout voor een deel vervangen wordt door kastanjemeel.

Voor de rest veel lekkere vis, veel lokale groenten en veel brocciu, een soort witte kaas die een beetje aan ricotta doet denken en zowel terugkomt in voorgerechten, hoofdgerechten, desserts en dipjes voor bij het aperitief. Een activiteit die ze op het eiland bijna tot een kunstvorm hebben weten te verheffen, merkten wij elke avond bij de ondergaande zon in alweer een fantastisch mooie baai. En zie, als er na het aperitief ook een karaoke gepland staat, dan gaat zelfs de meest norse Corsicaanse buschauffeur voor de bijl. Mooi om te zien, en zelfs om te horen, want stille Baptiste blijkt nog te kunnen zingen ook.

Makkelijkste job ter wereld
Het kan ingebeeld zijn, maar na zijn wilde zangstonde chauffeert onze kapitein ons nog behendiger dan anders door zijn onherbergzame geboortestreek. Wie met de auto door Corsica wil, rijdt daar van noord naar zuid ongeveer drie en een half uur over. Op het eiland telt men in tijd, niet in kilometers, want vaak is vijftig kilometer per uur de maximumsnelheid op de slingerende weggetjes.

Het blijft ons elke dag verbazen wat je op een eiland van een zakdoek groot kunt aantreffen. Krijtrotsen, idyllische havenstadjes, azuurblauw water vol vissersbootjes, allemaal vechten ze om een plaats in onze tien favoriete reisbeelden. Nog zoiets: hoe hard je ook je best doet, een foto nemen op Corsica die niet in aanmerking komt voor een ansichtkaartje, is bijna onmogelijk.
'Ik heb de kapen van Bonifacio al honderden keren gezien', vertelt Alex, een gids die een paar jaar geleden van Wallonië naar het havenstadje verhuisde omdat hij het niet meer aankon het Belgische beton zo vaak te zien huilen bij regenweer. 'En toch kan ik het niet laten om ze telkens weer te fotograferen alsof ik ze voor het eerst zie. Ze zijn zoindrukwekkend dat ik er honderden foto's van heb, telkens met ander licht.'

Alex heeft naar eigen zeggen de allermakkelijkste baan van heel de wereld: 'Alles is hier natuurlijk mooi, ik moet geen enkele moeite doen om de mensen te overtuigen van de schoonheid van deze plek, of van dit eiland.' En dat hij nog één keer per jaar terugkeert naar België, met Moederdag. Tot zijn stomme verbazing blijkt die hoogdag tijdens ons verblijf net enkele weken achter de rug. 'Stomweg vergeten omdat ik hier te graag ben', lacht Alex verontschuldigend.

Zijn moeder zal het niet graag horen, maar wij kunnen de man snappen. Op sommige plekken kom je alleen maar als je dat echt wilt, en vertrek je alleen maar als het echt moet. Corsica is zo'n plek.


Praktisch
Wij reisden met de tgv Bruxelles-France naar Marseille. Er zijn drie rechtstreekse treinen per dag, die geboekt kunnen worden in 39 Belgische stations, via het NMBS Europe Contact Center (070-79.79. 79, 0,30 euro/minuut) of de website. www.nmbs-europe.com

Van Marseille namen we de SNCM-nachtferry naar Bastia. Die ferry vertrekt ook vanuit Nice, en doet alle belangrijke havens van Corsica aan. www.sncm.be

Overnachten deden we in de clubs van Belambra in Borgio, Propriano en Belgodère.
www.belambra.fr