'Geen verschil in strafbeleid tussen Vlaanderen en Wallonië'
Is er echt een verschil in strafbeleid tussen Vlaanderen en Wallonië, zoals de advocaten Jef Vermassen en Vic Van Aelst beweren? Statistieken van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie wijzen in elk geval niet in die richting.

Advocaat Jef Vermassen zei woensdagavond in het programma Pauw & Witteman dat hij de indruk had dat "je in Wallonië sneller vervroegd vrij kan komen."  Vermassen verwees daarvoor naar een 'andere mentaliteit' aan de andere kant van de taalgrens. "Wij zijn twee verschillende werelden in één land. Dat ondervinden wij ook op justitie."

Hij werd daarin gisteravond in Terzake bijgetreden door strafpleiter Vic Van Aelst. Volgens Van Aelst is men in Franstalig België bereid om sneller iemand in vrijheid te stellen.

Advocaat Sven Mary deed de suggestie van Vermassen in Reyers laat dan weer af als 'onzin';  Vermassen heeft geen cijfers om zijn beweringen te staven, aldus Mary.

Cijfers van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie lijken Mary alvast gelijk te geven. Uit die cijfers blijkt dat de strafuitvoeringsrechtbank van Gent in 2009 het minst soepel was om een voorwaardelijke invrijheidstelling toe te staan. Slechts 13,9 procent van de aanvragen kreeg een positief gevolg. Het jaar voordien kreeg nog 20,4 procent een positief gevolg.

Antwerpen is het soepelst, met 34,5 % positieve antwoorden, een cijfer dat verklaard kan worden door het specifieke gevangenisprofiel van Antwerpen. Daar zitten heel wat kort gestraften die sneller in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

Ook Brussel zit met 27,6% boven het nationale gemiddelde van 23,4. Eén jaar eerder kreeg in Brussel nog 23,8 procent van de aanvragen een positieve beslissing.

Bergen en Luik scoren met respectievelijk 18,8% en 19,6% positieve antwoorden lager dan het gemiddelde. Ook de strafuitvoeringsrechtbank van Luik werd strenger in 2009: in 2008 kreeg daar nog 26 procent van de aanvragen een positief gevolg.

De cijfers van het NICC moeten wel omzichtig geïnterpreteerd worden. Iemand wiens verzoek tot voorwaardelijke invrijheidsstelling werd afgewezen, kan wel onder elektronisch toezicht geplaats worden.

Volgens het NICC bieden de huidige cijfers echter ook geen eenduidend antwoord op de vraag of er een verschil in strengheid is tussen strafuitvoeringsrechtbanken aan beide kanten van de taalgrens. Verschillen kunnen immers ook te maken hebben met andere factoren zoals de aard van de gevangenispopulatie of de aard van de inrichtingen (open- en gesloten instellingen) die onder een strafuitvoeringsrechtbank ressorteren.

Het NICC benadrukt ten slotte dat in Vlaanderen tien jaar geleden nog 71% van de aanvragers een voorwaardelijke vrijlating kreeg, tegenover 56% procent in Wallonië. De voorbije jaren is Vlaanderen volgens de overheidsdienst repressiever gaan optreden en Wallonië soepeler.