Toen de ouders van Ronald Mattelé in 1973 een café met bovenliggende feestzaal kochten in Schepdaal, was zoonlief daar alles behalve blij mee. Niet alleen voelde Schepdaal na een tiental jaren in Dilbeek aan als een godverlaten boerengat, de jonge Ronald moest ook elke dag met zijn fiets een gigantische helling beklimmen naar school. ‘Ik ben hier echt tegen mijn zin komen wonen’, vertelt Ronald, die zich na zijn studies niet snel genoeg weer in Dilbeek kon gaan settelen. ‘Tot het huis een vijftiental jaren gelden te groot werd voor mijn ouders. In een emotionele reactie hebben mijn vrouw Roos en ik het van hen overgekocht.

Ik wilde het historische pand in de familie houden, het is met bouwjaar 1762 tenslotte het oudste huis van Schepdaal. Een week hebben we hier met zijn allen gewoond en dan zijn we van thuis gewisseld. Roos en ik zijn hier komen wonen, en mijn ouders zijn ons huurhuis in Dilbeek ingetrokken.’

Maar na de emotionele aankoop volgde al snel de ontnuchterende realiteit. ‘Daar zaten we dan, in een verschrikkelijk jarenzeventiginterieur. Alles in het bruin, gevlochten stoelen, van die rode bakstenen muren in huis… En mijn moeder zou het niet appreciëren, mochten we de boel helemaal veranderen. We zaten echt muurvast. Ik begon spijt te krijgen van onze beslissing.’

Brol in huis

Heel voorzichtig besloten Ronald en zijn vrouw dan toch hier en daar kleine ingrepen uit te voeren. De klimop aan de voorgevel werd verwijderd en de kakofonie aan potplanten van de oprit verwijderd. Tot grote ontsteltenis van moeder Mattelé. ‘Maar uiteindelijk is ze toch bijgedraaid. Waarschijnlijk heeft mijn vader haar toegefluisterd dat ze ons moest laten doen.’

‘Dat betekende voor ons het startschot voor een paar broodnodige structurele veranderingen. De Griekse structuur in de muren werd gladgemaakt, de glasramen uitgebroken, bakstenen muren wit geverfd en alle valse plafonds verwijderd. Zolang dat bruin maar verdween’, zegt Ronald, terwijl hij nog steeds rillingen krijgt bij de herinnering aan het oorspronkelijke interieur. De keuken stelde Ronald – met uitzondering van zijn chique La Cornue kookvuur - samen uit gebruikte kastjes, en een gedeelte van de feestzaal boven werd verbouwd tot ‘master bedroom’. ‘Wij slapen op het podium van de zaal. Geweldig, hè?’ Aan de andere zijde van de slaapkamer, waar de feestzaal nu een zolder is geworden, hangt in rode letters nog de verwijzing naar de lokale fanfare uit de jaren dertig, De Ware Verenigde Vrienden.

Waar ooit een Leuvense stoof stond –volgens Ronald om saucissen op te bakken voor de feesten die hier werden gehouden – richtte Roos een dressing in. ‘Mijn vrouw is bijzonder creatief. Ze doet aan grafisch ontwerp en keramiekkunst, maar haar stijl is iets meer Arabisch getint dan de mijne.’ De donkerrode kleur en krullerige muurlampjes in de dressing zijn daar een duidelijk bewijs van. ‘Ik zou niet in strak design kunnen wonen. Als daarin één potje op de verkeerde plaats staat, is het hele effect van het interieur weg. Ik heb wel graag wat brol in mijn huis.’

Picknicktafels

Tijdens de verbouwingen werd het geduld van Ronalds moeder nog één keer serieus op de proef gesteld. Toen de schuur, haar heiligdom voor de gevorderde bloemschikker, volledig werd leeggestript, moest ze behoorlijk op haar tanden bijten. Ronald maakte er een extra woonkamer van. ‘Voor wanneer ik alleen wil zijn, of we een feestje geven voor vrienden.’ Voor feestjes is dit historische pand in Schepdaal trouwens een ideale locatie. Niet alleen is er de gezellige schuur, waar nu de toog prijkt uit het vroegere café, ook buiten is het pret verzekerd. Twee ruime petanquebanen, een riante tuin met idyllisch uitzicht over glooiende weilanden, een barbecue met semi-professioneel kookvuur en een bijzondere picknicktafel waar een boom door groeit.

Picknicktafels zijn Ronalds dada. Met zijn bedrijf Cassecroute is hij gespecialiseerd in alle maten picknicktafels. Veel klanten komen in Schepdaal langs om te bestellen of op te halen. De tuin, waar twee van zijn ontwerpen staan, is het perfecte visitekaartje voor Cassecroute. Op de zolder en in de garage kan Ronald bovendien het een en ander stockeren. ‘Ik ben de eerste die dit huis volledig gebruikt. Voor mijn ouders was het hier altijd al veel te groot, zelfs met drie kinderen’, aldus Ronald, die intussen zelf twee kinderen heeft.

‘Ik denk wel vaak na over de toekomst van dit huis. Hoezeer ik het vroeger ook heb gehaat, nu is het helemaal mijn ding en ben ik hier met geen stokken meer weg te slaan. Voor mijn kinderen zal het moeilijk worden om het huis over te kopen, de waarde ervan is enorm gestegen. Dit is zonder twijfel de beste investering die ik ooit heb gedaan. Ik droom er stilletjes van om de schuur te verbouwen tot een woonst voor Roos en mezelf, en dan kunnen de kinderen het huis verdelen. Zo zouden we hier allemaal kunnen blijven wonen. Maar dat moeten de kinderen willen natuurlijk, op dit moment studeren ze in Gent en zijn ze daar nog lang niet mee bezig.’