‘Beter tijdelijke natuur dan geen natuur’
Foto: Michiel Hendryckx
Op ongebruikte industrieterreinen of bouwgronden steekt ongevraagd de natuur de kop op. En wat doe je daar dan mee als je de grond wil gebruiken.

Een kolonie meeuwen strijkt al eens graag op een bedrijfsterrein neer om er te broeden. Een rugstreeppad voelt zich lekker op ruwe grond waar ooit een loods op moet komen.
Industrie- of bouwgrond die braak ligt, trekt allerlei planten en dieren aan. Tijdelijke natuur, heet dat: flora en fauna op plaatsen waar ze eigenlijk niet gepland was.

In tijdelijke natuur strijken de zogenaamde pioniersoorten neer. Dat zijn soorten die zich snel ergens kunnen vestigen, en ook snel weer verhuizen als de omstandigheden tegenzitten. De kust en kronkelende grote rivieren zijn voor hen een favoriete stek, maar uitgerekend die biotopen hebben de jongste decennia klappen gekregen in Vlaanderen.

Strandbroeders zoals de strandplevier zijn een voorbeeld van zulke pioniers. Die vogel was veel van zijn leefwereld kwijtgespeeld door bedijking en het verdwijnen van de dynamiek van de Scheldemonding. Opgespoten terreinen hebben paradoxaal genoeg die leefomstandigheden opnieuw gecreëerd. Ook de oeverzwaluw is daar op afgekomen.

In de haven van Antwerpen weten ze er alles van. ‘In de buurt van Luithagen hebben we een perceel waar de zeer zeldzame moeraswespenorchis is opgedoken’, vertelt Laura Verlaeckt. ‘We hebben de vorige concessiehouder gevraagd rond de planten heen te bouwen.’

Verlaeckt is technisch manager milieu en natuur van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen. Ze vertelt over de zwartkopmeeuwen die hun favoriete broedplaats hadden rond de slibstorten boven de Berendrecht- en de Zandvlietsluis. Maar die terreinen werden ontwikkeld. Om hen toch een leefplek te geven, liet het Havenbedrijf de lus op het knooppunt van de A12 nabij Stabroek inrichten.

Het werd de zwartkopmeeuwen daar helemaal naar de zin gemaakt. Water, drassige grond, ruigte om hun kuikens te verstoppen. ‘Maar de meeuwen hebben tijdens het vorige broedseizoen de weg naar hun nieuwe plek nog niet gevonden’, zegt Verlaeckt. ‘Tja, vogels kun je niet dwingen.

Geef ze nog wat tijd.’Natuur is geen groen folieke voor het imago van de haven. Het is bittere ernst sinds het debacle rond het Deurganckdok. De werkzaamheden daarvoor moesten in 2000 en 2001 op grond van Europese richtlijnen tot twee keer toe stilgelegd worden omdat er belangrijke natuur opgeofferd werd. De haven moest dat compenseren.

‘Om niet meer bij elk project op zoek te moeten naar compensatie werken we nu proactief’, zegt Verlaeckt. ‘We zorgen voor kerngebieden en ecologische infrastructuur. Als er ergens een terrein ontwikkeld wordt, kunnen we aantonen dat de natuurwaarden in het totale plaatje gegarandeerd blijven.’

De lus van de A12 is een mooi voorbeeld van de ‘ecologische infrastructuur’ die binnen het havengebied afgebakend werd. Er is ook een leuke habitat ontstaan op stroken waar leidingen onder de grond liggen, of in afwateringsgrachten.

‘We zien het niet meer als tijdelijke natuur, het mag een permanent karakter krijgen. We streven ook naar kwaliteit: meer soorten op een kleine oppervlakte.’

Deze aanpak werd ‘De Antwerpse haven natuurlijker’ gedoopt en loopt in samenspraak met Natuurpunt. Het streefdoel is om vijf procent van de oppervlakte van de Vlaamse zeehavens voor natuur te reserveren. In Antwerpen loopt dat op tot 600 hectare. Ze zitten nu aan ongeveer 340 hectare.

Behalve in de haven vind je ook nog tijdelijke natuur in grindontginningen zoals die in de Mechelse Heide (Maasmechelen) of in Mol-Dessel. Ook op het oude Remo-stort in Houthalen krijgt de natuur tijdelijk een kans. Aan de sluis van Wintam mocht een eilandje dat oorspronkelijk voor industrie gereserveerd was, zich tot een gewaardeerd natuurgebied ontwikkelen.

Er is nog potentieel. De bufferstroken rond bedrijven kunnen in plaats van met populieren ingevuld worden met houtkanten, water, streekeigen planten bijvoorbeeld.
Maar wat als de terreinen voor hun oorspronkelijk bedoelde bestemming aangesneden worden? Moet de natuur dan wijken? De komst van beschermde soorten geeft een nieuw beschermd statuut aan de percelen. En dat is een streep door de rekening van de eigenaar die geen bouwvergunning meer krijgt.

Prangende juridische vragen, waar Bart Martens, ex-Bond Beter Leefmilieu en nu Vlaams volksvertegenwoordiger van de SP.A, mee bezig is. De Vlaamse en de Europese regels zijn niet van de poes. ‘Je mag natuur niet zomaar op de schop doen’, zegt Martens. Er moeten dwingende redenen aangetoond worden, een passende beoordeling gemaakt, kortom er dient een hele procedure gevolgd te worden. En als de natuur toch verdwijnt, dan moeten er compensaties komen.

De aanpak in de Antwerpse haven strekt volgens Martens tot navolging. ‘Er is een beschermingsplan voor het hele gebied. Het probleem is op die manier gecollectiviseerd. Niet elk bedrijf apart moet opdraaien voor de natuurconsequenties. Dat voorkomt een tactiek van verschroeide aarde. Of in dit geval: van verharde of gedraineerde aarde.’

Behalve de Europese vogel- en habitatrichtlijnen is er weinig rechtsgrond om met tijdelijke natuur om te gaan. ‘Een wettelijke context is welkom,’ vindt Martens. Ook drie milieujuristen — Hendrik Schoukens, An Cliquet en Peter De Smedt — vragen de Vlaamse overheid de kwestie op te nemen. Zij menen dat een aanpassing van de huidige regelgeving de beste optie is. Zolang het kan binnen de Europese krijtlijnen.

In Nederland beregelen ze de afwijking voor tijdelijke natuur al voor ze ontstaat. De ondernemers krijgen de zekerheid dat ze toch hun bestemming kunnen realiseren, zelfs als er bijzondere planten en dieren komen aanwaaien zijn. Zonder die rechtszekerheid zouden bedrijven de natuur nooit laten ontwikkelen.

Is het niet jammer dat de natuur dan toch verdwijnt? ‘Liever tijdelijke natuur dan geen natuur,’ vindt Martens. ‘Voor alle duidelijkheid: tijdelijke natuur is geen alternatief voor de grote ecologische netwerken die we in Vlaanderen moeten hebben — en waar we, à propos, nog maar een derde van gerealiseerd hebben. Het is er een welkome aanvulling op.’