De regels voor d en dt zijn eigenlijk vrij eenvoudig, maar toch gaat iedereen wel eens in de fout. 'En daar kunnen we eigenlijk niets aan doen', concludeert Lien Van Abbenyen in haar masterscriptie aan de Universiteit Antwerpen.

Volgens Van Abbenyen, die afstudeerde in de richting Letteren en Wijsbegeerte, is uit eerder onderzoek al gebleken dat de werkwoordsvorm die het meeste voorkomt in de Nederlandse taal, zich 'opdringt' tijdens het schrijven.

In experimenten stelden Van Abbenyen en haar promotor nu vast dat hetzelfde mechanisme ook speelt wanneer je een tekst herleest. 'Nemen we de vervoeging van 'worden': de vorm '(hij) wordt' komt 65 maal vaker voor dan '(ik) word'. Omdat de vorm op dt frequenter opduikt, zal die bij het foutieve 'ik wordt' niet gemakkelijk worden opgemerkt. 'Hij word' daarentegen zal snel opvallen, het leesproces verstoren en makkelijk gecorrigeerd worden.'

Taalkundigen noemen dit fenomeen homofoondominantie. Homofonen zijn woorden met een verschillende spelling maar eenzelfde uitspraak (word-wordt). Een spelfout zullen we dus niet snel opmerken als het spellingpatroon vaak voorkomt. 'Je kan dus stellen dat we het slachtoffer van onze eigen hersenen worden', zegt de Antwerpse onderzoekster.

'We stellen ons het minst vragen bij de meest voorkomende woordbeelden, zodat we dt-fouten vaak niet opmerken. Wie fouten wil vermijden, moet bij het herlezen consequent even stilstaan bij elke werkwoordsvorm. Eigenlijk worden we twee keer slachtoffer van ons geheugen voor woordvormen: tijdens het spellen zelf en nog een keer tijdens het herlezen. Die dubbele valkuil verklaart waarom dt-fouten zo hardnekkig zijn.'