Leerlingen die deeltijds les volgen in het beroepsonderwijs, vinden almaar minder vlot een plek in het reguliere arbeidscircuit. Volgens Vlaams parlementslid Kathleen Helsen (CD&V) zijn de federale aanwervingsplannen voor jonge en oudere werkzoekenden de boosdoener. Ze dient een motie in in het Vlaams parlement waarin ze pleit voor een monitoring van het volledige begeleidingstraject van deeltijds studerende jongeren.

Het banenplan van federaal minister van Werk Joëlle Milquet (cdH) dat sinds 1 januari 2010 van kracht is, bepaalt dat werkgevers die -26-jarigen in dienst nemen, die minstens zes maanden ingeschreven zijn als werkloze en die een diploma hoger onderwijs hebben, aanspraak kunnen maken op een premie van 1.000 euro. Bij -26-jarigen die niet beschikken over een diploma hoger onderwijs, minstens drie maanden ingeschreven zijn als werkzoekende, en aan de slag kunnen, krijgt de werkgever een premie van 1.100 euro.

Kathleen Helsen zegt signalen van een verdringingseffect te krijgen vanuit de sector, aangezien de regelgeving niet van toepassing is op het deeltijds onderwijs. "Nochtans gaat het om kwetsbare jongeren, voor wie contact met de werkvloer belangrijk is", vervolgt ze. Bovendien verplicht het Vlaamse decreet Leren en Werken uit 2008 hen om een voltijds engagement aan te gaan, dus om 2 dagen in de schoolbanken te zitten en de overige tijd een opleiding te krijgen op de werkvloer.

Helsen kaart de problematiek aan in het Vlaams parlement. "Zonder geschikt jobaanbod is trajectbegeleiding zinloos", aldus Helsen, die een monitoring vraagt van hoe leerlingen doorstromen van het ene begeleidingstraject naar het andere.