Hoe meer rijken, hoe duurder de kunst
Foto: epa
In periodes van stijgende beurskoersen en een toenemende inkomenskloof gaan de prijzen van kunstwerken het sterkst de hoogte in.

“Met uitzondering van een enkel kunstwerk - zoals de met diamanten ingelegde platina schedel van Damien Hirst, waarvan het materiaal en de productiekosten vooral de prijs bepalen - hebben kunstwerken een lage intrinsieke waarde”, melden Luc Renneboog en Christophe Spaenjers van de Universiteit van Tilburg en William Goetzmann van de Universiteit van Yale in hun studie Art and Money.

Eigenlijk is het vooral de vraag naar kunst die de vaak extreem hoge bedragen en rendementen bepaalt. De drie wetenschappers onderzochten wat de vraagzijde in de kunstmarkten beïnvloedt:

  • Door gegevens van de kunstverkopen en de aandelenmarkten uit dezelfde periodes naast elkaar te leggen, stelden de onderzoekers vast dat schommelingen in de aandelenmarkten gelijk lopen met wat in die periode voor kunststukken werd betaald.
  • Ook vergeleken ze inkomensgegevens met de kunstverkopen uit gelijke periodes. Conclusie: als de inkomens stijgen – of die nu uit salaris of investeringsrendementen bestaan – gaan ook de prijzen van kunstwerken omhoog.
  • Nog opvallender is de invloed van inkomensverschillen. Hoe groter de kloof tussen het salaris van de gewone man en het inkomen van hun welgestelde medeburgers, hoe groter de waarde van kunst wordt, melden de onderzoekers. De reden is dat bij veilingen de bestedingslimiet voor kunstwerken afhankelijk is van wat mensen te besteden hebben. Daarbij blijft het aantal echt goede stukken beperkt. Het financiële vermogen van de allerrijksten heeft op die manier veel invloed op de prijzen in de kunstwereld. Meer dan een toename van de gemiddelde, nationale rijkdom.

De onderzoekers verwachten dan ook dat kunst explosief in waarde stijgt wanneer grote inkomensverschillen ontstaan. Dit blijkt ook uit de laatste periode dat de kunstprijzen fors omhoog gingen, tussen 2002 en 2007. “In die jaren is de inkomensongelijkheid in de Angelsaksische landen fors gestegen. Dit was met name het gevolg van een sterke salaristoename voor topmanagers in die landen.”