Met Flat earth news schreef Nick Davies, topjournalist bij de Britse krant The Guardian , twee jaar geleden een striemende aanklacht tegen de commercie in medialand. Bij het verschijnen van de Nederlandse vertaling is zijn niet milder: Het is alleen maar erger geworden.’

Flat earth news (vertaald als Gebakken lucht) heeft zijn effect niet gemist. Twee jaar na de publicatie van het boek reist journalist Nick Davies nog steeds de wereld rond: in Europa is hij ongeveer in elk land gepasseerd, maar ook op andere continenten is hij een populair spreker. Dat is niet onbegrijpelijk: Davies heeft zich niet alleen erg goed gedocumenteerd, hij kan ook onmogelijk als een ‘frustro’ worden afgeserveerd. Hij schrijft al jaren voor The Guardian en sleepte tal van Britse prijzen in de wacht.

 

Nochtans heeft Davies de roede niet gespaard, de media krijgen er stevig van langs. Doordat de mediabedrijven in de ban zijn van cost cutting, zo luidt de stelling, wordt het journalisten steeds moeilijker gemaakt om hun primaire taak te vervullen: de waarheid bovenspitten. Bovendien viseert Davies niet de tabloidsector, maar richt hij zijn vizier in de eerste plaats op de kwaliteitspers, op kranten als The Times of The Guardian. Ook zij brengen verhalen die achteraf niet correct blijken te zijn, ook zij apen mekaar na, ook zij laten zich steeds meer leiden door een almaar groeiende pr-industrie. Maar, zo bedenk ik in de auto op weg naar Amsterdam, ook dit gesprek werd georganiseerd via de uitgeverij die Gebakken lucht wil promoten. Vindt hij het, vanuit mijn oogpunt, dan nog wel verantwoord om door te zetten met het interview? Of ga ik dan ook plat op de buik? ‘(lacht)

Niet álles wat de pr-sector doet, is slecht. Als je in je auto dacht: dit is een puur pr-evenement, ik zou beter schrijven over de uitbraak van lepra in Brussel’, had je stante pede moeten terugdraaien. Maar als je vindt dat mijn verhaal van belang is, maakt het niet zo uit dat dit gesprek door pr- mensen is georganiseerd.’

‘Mijn punt is dat nieuwsorganisaties zélf moeten beslissen of ze een verhaal al dan niet brengen. Wat je echter steeds meer ziet gebeuren, is dat de pr-industrie die keuzes voor ons maakt. In plaats van zélf onderwerpen te kiezen, die bijvoorbeeld complex zijn, gaan we voor het simpele verhaal dat de krant zal doen verkopen. En de pr-industrie levert ons die verhalen.’

‘Voor mijn boek heeft de universiteit van Cardiff uitgezocht hoeveel procent van de verhalen in de beste Britse kranten geheel of gedeeltelijk gebaseerd zijn op pr-materiaal: 54 procent. Als het om leugens gaat, zie je meteen waarom dat problematisch is. Maar meestal is het subtieler en gaat het om een zorgvuldig geselecteerde waarheid die de belangen van een bepaalde organisatie dient. Zo verstoort de pr-industrie ons eigen oordeel.’

Uw boek verscheen twee jaar geleden in Groot-Brittannië. Hebt u het gevoel dat de situatie verbeterd is?

‘Neen. De media staan nog altijd niet open voor zelfkritiek. Dog doesn’t eat dog, schreef ik in mijn boek. Dat is nog steeds het geval. Terwijl de problemen alleen maar groter zijn geworden. In mijn boek behandel ik alleen de eerste fase van de ellende: de schade die de commercialisering heeft aangericht op onze redacties. De grote bedrijven die onze kranten de laatste decennia hebben overgenomen, zijn alleen geïnteresseerd in winst en niet in journalistieke kwaliteit. Maar nu zitten we in fase twee en drie: de opkomst van het internet en de kredietcrisis. Die fenomenen doen de advertentie-inkomsten op een angstaanjagende manier dalen. Daardoor is de financiële druk op de redacties alleen maar toegenomen. Journalisten moeten steeds meer schrijven, gaan dus almaar meer vertrouwen op de pr-industrie en slagen er nauwelijks nog in om originele journalistiek te bedrijven.’

En zo krijg je ‘gebakken lucht’ of — in de originele versie — ‘flat earth news’.

‘Honderden jaren lang hebben de mensen geloofd dat de aarde plat was. Maar toen ze dat begonnen te onderzoeken, bleek dat wat iedereen geloofde niet correct was. Het wemelt van dat soort verhalen in de media. We dachten echt dat de millennium bug alles zou doen crashen. We geloofden dat alle schandalen die over Bill Clinton werden gelanceerd ook waar waren. We dachten dat er massavernietigingswapens in Irak aanwezig waren. We geloofden dat iedereen zou sterven aan de varkensgriep. Die verhalen waren niet correct, maar de media stonden er wel vol van. Vervolgens maken regeringen ongelooflijk veel geld vrij, of vallen ze zelfs landen binnen, om die vermeende problemen aan te pakken. Je krijgt nonsensbeleid op basis van nonsensinformatie. Beangstigend.’

Vooral omdat die verhalen niet het gevolg zijn van een of andere samenzwering, of van uitgevers die een bepaalde boodschap willen promoten. Het is een structureel probleem, zegt u.

Niemand heeft al die verhalen over de millennium bug “georganiseerd”. In 1993 heeft een journalist een artikel geschreven over dat “probleem” en dat is een eigen leven gaan leiden. Dat dat mogelijk was, is een gevolg van de interne mechaniek van onze nieuwsorganisaties. Onwetendheid wordt omgezet in verhalen, niemand zoekt nog ten gronde uit wat er echt aan de hand is, en iedereen kopieert mekaar. Natuurlijk zit er een element van waarheid in de millennium bug , maar we hebben dat probleem allemaal samen wel geweldig opgeblazen.’

Onder meer omdat er ook veel experts waren die zeiden dat er écht een groot probleem op ons afkwam. Hoe moet een journalist dan weten wélke specialist hij moet geloven?

‘Je moet blijven checken. Natuurlijk is er altijd wel een idioot in een pak te vinden die zegt dat de wereld zal vergaan. Weet je wat zo beangstigend is? Dat je bij een verhaal dat aan kracht wint en dat de mainstream verovert, nauwelijks nog vraagtekens kunt plaatsen. Wie wél vraagtekens plaatst, hoort men niet meer. Dat zijn “buitenbeentjes”.’

‘Zeven jaar geleden zei iedereen — de Amerikaanse regering, de Britse regering, ga maar door — dat Irak over massavernietigingswapens beschikte. Ergens aan de zijlijn stond Scott Ritter, een voormalige VN-wapeninspecteur die jaren in Irak was geweest. Hij zei dat die informatie niet klopte. Af en toe werd hij ook wel eens geïnterviewd, maar hij verwierf geen status. Hij werd nooit een zogenaamd “veilige bron”, hoewel hij gelijk had.’ ‘Soms is de impact van commercialisering ook subtieler. Als we moeten kiezen tussen een belangrijk en een sexy verhaal, gaan we negen keren op tien voor het sexy verhaal. Als iedereen over een bepaald onderwerp schrijft, vinden we dat een reden om er zelf ook over te schrijven, zelfs al is het compleet triviaal.’

Het is ook erg makkelijk om uit te leggen waarom een triviaal verhaal ‘eigenlijk toch maatschappelijk relevant’ is.

‘In Groot-Brittannië staan alle kranten dezer dagen vol over John Terry, de kapitein van de nationale voetbalploeg die seks heeft gehad met een vrouw die niet de zijne is. Pure gossip, maar alle kranten doen wel geweldig hun best om uit te leggen waarom die zaak zo belangrijk is. Dus komen ze met hun oude non-argument op de proppen: “De kapitein van de Engelse voetbalploeg is een rolmodel.” (lacht)

Complete nonsens: op de hele aardbol loopt er geen enkele jonge kerel rond die John Terry wil nabootsen!’
‘Dit is eigenlijk een verhaal voor de tabloids. Maar omdat de kwaliteitskranten willen dat hun lezers ook kunnen meepraten, schrijven ook wij erover. Terwijl we de kracht en de onafhankelijkheid zouden moeten hebben om te zeggen: dat is geen verhaal voor ons. En als we er dan toch iets over melden, zouden we het moeten doen met een klein stukje op pagina 16.’

‘Als ik het boek nu opnieuw zou schrijven, zou ik veel uitgebreider ingaan op die neiging om allemaal de mainstream te volgen. We kiezen voor “veilige” feiten, “veilige” ideeën, “veilige” bronnen, “veilige” pr-mensen. We bevestigen de consensus, terwijl de consensus erg vaak verkeerd is.’

Het bevestigen van de consensus heeft ook politieke gevolgen.

‘Natuurlijk. Er zijn heel veel onderwerpen waarover we nooit schrijven, terwijl ze ongelooflijk belangrijk zijn. En doordat we er nooit over schrijven, vinden mensen ze ook niet belangrijk en zijn ze van mening dat de regering er zich niet mee bezig hoeft te houden. Misschien is dit een saai voorbeeld, maar hoewel we wéten dat er ongelooflijk veel mensen in armoede leven, zijn die mensen haast onzichtbaar in de media. Ze houden dan ook geen persconferenties, ze hebben geen pr-bedrijf dat hen ondersteunt. Ze boezemen ons zelfs angst in: als je in de sloppenwijken van Rio de Janeiro duikt, kan je wel eens een mes in je lijf krijgen. En dus schrijven we veel liever over de schommelingen in de beurskoersen.’

Maar kun je zo kranten verkopen? Worden arme mensen niet vervelend als je er elke dag over schrijft?

‘Ik weet dat niet. Tien jaar geleden heb ik een boek geschreven over armoede in Groot-Brittannië. Als je met die mensen gaat praten, als je in hun levens duikt, bots je op geweldige human-interestverhalen. Over dievenbendes, over crack dealers, over kinderprostitutie, over mensen die uit het dal kropen. Die mensen maken veel spannen der dingen mee dan de middenklassebourgeoisie in haar halfopen huisjes.’

Wat zou uw eerste beslissing zijn als u hoofdredacteur werd?

(lacht) Niemand zou mij hoofdredacteur maken, omdat ik niet voor een kar te spannen ben, zoals dat ook hoort voor een reporter. Maar als ze het mij toch zouden vragen, zou ik zeggen dat we ons moeten concentreren op het ontdek ken van de waarheid. Volgens mij zou dat ook commercieel werken.’

'Als mensen ooit willen betalen voor een website, zal het zijn omdat ze daar informatie vinden die ze nergens anders kunnen vinden. Als we allemaal vier verhalen per dag schrijven, die bovendien in elke krant verschijnen, welk verschil maken we dan? Voor de verhalen die iedereen heeft, zou ik veel meer terugvallen op persbureaus. Mijn journalisten zouden op zoek moeten gaan naar verhalen die niemand anders covert. Als we het milieu dan toch zo belangrijk vinden, wil ik daar héél goede stukken over lezen, en niet alleen over de conferentie in Kopenhagen. Ik wil een reportage over het regenwoud in Brazilië of over het wassende water in Bangladesh.’

U zegt dat journalisten altijd op zoek moeten naar de waarheid, maar vaak laat die zich niet makkelijk vinden. Als ze er al is.

‘Da’s waar, maar dan moeten we dat ook gewoon durven toe te geven. Onze berichtgeving over de millennium bug of de varkensgriep was veel sterker geweest als we vier woorden hadden gebruikt die journalisten haast niet durven te gebruiken: Ik Weet Het Niet. We schreven dat de varkensgriep een pandemie is die miljoenen mensen het leven zou kosten. En waarom deden we dat? Omdat de Wereldgezondheidsorganisatie het gezegd had, dat leek ons allen een “veilige” bron. We hadden veel afstandelijker en sceptischer moeten zijn.’

In uw boek zegt u dat heroïne niet schadelijk is, in tegen stelling tot wat algemeen wordt aangenomen. Verwart u uw eigen mening daar niet met de waarheid? Hoe kan u zo zeker zijn?

‘Omdat het perfect te checken is dat heroïne een ongevaarlijke drug is. Er is een grootschalig onderzoeksproject geweest in een ziekenhuis in Philadephia. Daar behandelden ze soldaten die tijdens de oorlog gewond waren geraakt met morfine, een product dat chemisch overeen komt met heroïne. Die soldaten raakten verslaafd en vervolgens heeft men onderzocht wat de effecten waren op de lever, het hart, de longen, de hersenen, de bloedsom loop. Er waren geen schadelijke gevolgen. Bij morfine is het verschil tussen een therapeutische en een dodelijke dosis ook erg groot. Bij Paracetamol is dat verschil véél kleiner. Dat zijn dus feiten, geen meningen. Maar omdat de consensus zo anders is, voert men een compleet ander beleid en drijft men heroïne naar de zwarte markt. En dáár begint de ellende: de naalden zijn vuil, er worden erg gevaarlijke additieven toegevoegd. Dáárom sterven er zo veel heroïneverslaafden.’

Was het vroeger makkelijker om de waarheid te achterhalen? Laat het mij omdraaien: is het, onder meer door de op komst van het internet, niet steeds moeilijker om iets geheim te houden?

‘Omdat journalisten minder tijd hebben, wordt de kans kleiner dat ze de waarheid achterhalen. Maar tegelijk kan een journalist die aan zijn bureau gekluisterd zit via het internet veel makkelijker informatie sprokkelen dan vroeger. Dat helpt. Maar volgens mij is de eerste factor veel belangrijker dan de tweede. Als je vier of vijf verhalen per dag moet schrijven, helpt het nauwelijks dat je het internet ter beschikking hebt.’

‘Als het Amerikaanse leger plots laat weten dat het een belangrijke uitvalsbasis van Al-Qaeda heeft ingenomen en een lokale Al-Qaedaleider heeft gedood, ben je toch machteloos? Je kunt beginnen googlen en wat achtergrondinformatie over die figuur zoeken. Maar is het echt waar? Dat weet je toch niet zeker aan je bureautje? Is hij wel echt dood? En was hij wel de leider van Al-Qaeda? Je hebt geen zekerheid en toch moet je verhaal in een uurtje klaar zijn. Dat is geen geruststellende gedachte als je weet dat heel machtige krachten ons proberen te manipuleren.’

‘Je moet eens tellen hoe vaak de Amerikanen al een leider van Al-Qaeda hebben gedood in Afghanistan of Pakistan. Elke maand staat er daar blijkbaar een nieuwe figuur op. Oeps, daar is er weer eentje. Dat lijkt heel sterk op propaganda.’

Wat raadt u beginnende journalisten aan die plots de op dracht krijgen om een verhaal te schrijven over een ingewikkeld onderwerp waar ze niets vanaf weten? Weigeren?

‘Moeilijke vraag. Als ze weigeren, kunnen ze hun job ver liezen. Ik begrijp dus wel dat ze dat niet meteen doen.
Maar op een bepaald moment moet je wel zeggen: “Genoeg, ik ben geen journalist geworden om nonsens te schrijven.” Dat er discussies zijn op een redactie is erg nor maal. Nieuws is nu eenmaal niet “objectief”. Als journalist moet je constant afwegingen maken. Als je over onder werp A schrijft, kan je niet over onderwerp B schrijven. Hoe pak je dat onderwerp aan? Waar zetten we dat artikel in de krant? Op geen enkel moment kan iemand zeggen: dit is juist, er valt over alles te discussiëren. (lacht) Daar om wordt er op redacties zoveel geroepen.’

Het is een fictie om neutraal te zijn?

‘Als je neutraal bent, zit je gevangen in de consensus. Dan zeg je gewoon wat alle anderen zeggen. Bob Woodward, een van de journalisten die Watergate uitbrachten, zei ooit: “De beste journalistiek wordt verricht in weerwil van het management.” (lacht)

Op onze redacties loopt het vol met managers, hoofdredacteurs, nieuwschefs. Ik zou zeggen: fuck them!
Als schrijvende journalisten moeten we constant tegen hen ingaan, rebelleren. Zij zullen altijd voor het makkelijke, goedkope, commerciële verhaal gaan. Wij moeten dus zeggen wat zij niet willen horen.’

Een veel gehanteerde basisregel in de journalistiek is dat op woord altijd wederwoord moet volgen. Daar bent u het niet mee eens.

‘Natuurlijk niet. Dat is bullshit. Wij moeten de waarheid vertellen. Laat me een simpel voorbeeld geven. Een reporter wandelt een kamer binnen en er staan twee heren voor het raam. De ene zegt: “De hemel is blauw en de zon schijnt.” En de andere zegt: “De hemel is grijs en het re gent.” Gaat een goede journalist die twee versies dan tegenover mekaar zetten, onder de kop: “Discussie over het weer”? Neen toch? Een goede journalist gaat zélf kijken. Als het mooi weer is, kan die mijnheer die zegt dat het re gent de boom in. Dan heeft die geen plaats in je stuk. Maar tegenwoordig laat men altijd de twee kanten van een ver haal horen: dat is veilig, je hoeft je nooit te verontschuldigen. Je hebt immers niks gezegd.’

U bent allesbehalve enthousiast over de manier waarop de pers over Barack Obama heeft bericht. Waarom niet?

‘Omdat er tegen alle journalistieke regels is gezondigd. Het probleem is dat als journalisten het gevoel hebben dat er in de samenleving een krachtige emotie aanwezig is, hun verhalen beginnen te vervormen om aan die emotie tegemoet te komen. Dat zie je bijvoorbeeld na de dood van een bekend persoon of na een oorlog. Omdat in de VS zo veel mensen hopen of hoopten dat Obama voor verandering zou zorgen, hebben de journalisten hem vrije baan gegeven. De vragen die gesteld moesten worden, werden niet meer gesteld.’

Namelijk?

‘Is die man wel zo radicaal als hij zelf beweert? Waar staat hij eigenlijk voor? Obama gelooft in het kapitalisme en de vrije markt, in God en in religie en bovendien is hij overtuigd van de Amerikaanse uitzonderlijkheid, hij is een echte patriot. In Europa noemen we zo iemand een conservatief. Toch hebben we hem met zijn allen voorgesteld als een radicale hervormer. Omdat de mensen “hoop” wil den. Dat heeft toch niets met journalistiek te maken?’

U kan toch niet ontkennen dat er een groot verschil is tussen Obama en zijn voorganger?

‘En moeten wij daarom geen moeilijke vragen meer stellen? Is hij bijvoorbeeld wel geschikt om zijn ideeën in Washington door te drukken? Ik twijfel daar erg aan. De lijst van politici die briljant zijn op de publieke scène maar waardeloos als beleidsmakers, is erg lang. Denk maar aan Ronald Reagan of Tony Blair. Volgens mij zou Barack Obama wel eens kunnen eindigen zoals Jimmy Carter: een goede mens, maar een zwakke president.’

Uw verhaal over de media is niet meteen opbeurend. Hebt u ook een oplossing?

‘Neen. Alle machtige mensen in alle nieuwsorganisaties overal ter wereld zijn aan het zoeken naar een nieuw businessmodel. Het oude model is kapot: je kunt geen journalistiek meer financieren met het geld dat kranten en advertenties in kranten opbrengen. Hoe kunnen we dat verlies opvangen? Zullen de adverteerders terugkeren als de crisis voorbij is? Niemand weet het op dit moment. Rupert Murdoch zegt dat hij geld zal vragen op het internet, maar The Guardian is net het tegendeel van plan. Niemand weet nu wie er uiteindelijk gelijk zal hebben.’

‘Misschien zitten ze er allebei naast en zitten we in de eerste fase van ons overlijden. Ik weet echt niet of de pers zal overleven. Ik hoop van wel, maar ik ben niet zeker.’


Nick Davies, ‘Gebakken lucht’, uitgeverij Lebowski, 496 blz.