Ik was eerder deze week in Helsinki voor een aantal klantenpresentaties. Zo’n reis is interessant omwille van de vragen van klanten (“waarom zijn jullie positief over grondstoffen?”, “zijn de Chinese groeicijfers wel te vertrouwen?”) maar ook omdat je in het vliegtuig tijd hebt om de achterstand in lectuur in te halen. Zo zijn deze week in de Financial Times enkele behoorlijk interessante artikels verschenen.

Professor Paul De Grauwe van de Katholieke Universiteit Leuven maakte de vergelijking tussen de huidige toestand en de wisselkoerspolitiek in de jaren dertig: landen die toen de band met het goud het langst in stand hielden (België, Frankrijk) hadden het economisch harder te verduren dan zij (Verenigd Koninkrijk) waar de band het eerst werd verbroken. Hij trekt dit door naar de dag van vandaag met kritiek aan het adres van de ECB die minder aan kwantitatieve versoepeling heeft gedaan dan de VSA of het VK en daarmee een versteviging van de euro in de hand heeft gewerkt.

Dit is dan weer slecht nieuws voor onze concurrentiekracht, a fortiori in die landen waar omwille van loonkostenontwikkelingen die concurrentiekracht extra is gedaald. Het advies luidt dan ook om via een zeer soepel monetair beleid de euro te doen verzwakken. Het conjuncturele elan dat daaruit zou resulteren zou de pijn van de budgetaire sanering, waar tal van landen voor staan, verzachten. Het is zeker iets dat men in Griekenland zou appreciëren, een land dat erin geslaagd is om zich met alle mogelijke “zonden” te beladen (grote concurrentiehandicap, omvangrijk begrotingstekort, omvangrijke overheidsschuld) maar tegelijkertijd in een monetair keurslijf zit. Martin Wolf, de eminente economische journalist van de Financial Times, breidde deze week verder op dit thema en trad Paul De Grauwe’s stelling bij. De dure euro weegt op de groei en de Eurozone zou dus een verzwakking van zijn munt moeten “organiseren”.

Interessant genoeg kwam deze week een totaal ander geluid vanuit de hoek van de Bank of England bij monde van de voorzitter Mervyn King. Die stelde dat surpluslanden (China, Duitsland) hun binnenlandse consumptie moeten opdrijven en hun handelsbalansoverschot moeten beperken door een versteviging van hun munt. Een duurdere munt maakt de invoer goedkoper en zet aan tot meer bestedingen. Die stelling is wel interessant vanuit meer dan één opzicht. Eén, het Verenigd Koninkrijk heeft een behoorlijke duw in de rug gekregen van de verzwakking (om niet te zeggen ineenstorting) van zijn munt. Twee, tegen die achtergrond, kan men zich afvragen of het een goed idee is aan te sturen op een verdere versteviging van de euro, a fortiori gezien de voorspelling van de OESO dat de binnenlandse vraag in de Eurozone slechts een geringe groei zal kennen in 2010? Drie, realistischerwijs moet men er van uitgaan dat China slechts heel geleidelijk het muntbeleid zal aanpassen om de exportsector niet te destabiliseren.

Misschien moeten we noodgedwongen aanvaarden dat het proces van “global rebalancing”, dwz van afnemende handelsbalansonevenwichten, traag zal verlopen. Merk trouwens op dat bijvoorbeeld een overhaaste Chinese reactie niet op applaus zou onthaald worden door de markten: een duurdere renminbi betekent immers tragere opbouw van internationale reserves dus tragere groei van de mondiale liquiditeit dus geringere steun voor aandelenmarkten. Misschien moeten we vanuit Europees perspectief gewoon aanvaarden dat de markt wel het werk zal doen. Een Amerikaanse centrale bank die vroeger dan de ECB de rente zal verhogen (ook al zal dit nog behoorlijk wat tijd vergen) en de toenemende divergentie binnen de eurozone in termen van economische fundamentals (groei, inflatie, begroting, overheidsschuld) zouden moeten bijdragen tot een versteviging van de dollar en een geringer vertrouwen in de euro.

De vergelijking met de jaren dertig zou dan interessant genoeg in zekere zin opgaan: sequentiële devaluaties zorgden er toen voor dat landen een economische duw in de rug kregen door de verzwakking van de munt. Dit zorgde voor meetrekkingseffecten, ook naar andere landen toe, waarna het dan weer “de beurt was” aan andere landen om hun munt te laten dalen. Vandaag gebeurt dit door marktkrachten. De verzwakking van het pond stimuleert uiteindelijk de Britse economie. Idem nadien voor de dollar en de Amerikaanse economie. Uiteindelijk zou de eurozone ook een impuls moeten krijgen van de zwakkere euro en een steviger dollar.

William De Vijlder

Fortis Investments