Behalve voor het gebruik van informanten is het quasi onmogelijk om de doeltreffendheid van speciale politietechnieken te meten. Dat blijkt dinsdag uit het laatste jaarverslag over het gebruik van Bijzondere Opsporingsmethoden (BOM) van de Dienst voor Strafrechtelijk Beleid (DSB). De nieuwssite De Werktitel kreeg het nog vertrouwelijke document in handen.

Volgens De Werktitel is de conclusie van het rapport redelijk kritisch. Dat het aantal observaties stabiel blijft, zegt "helaas niets" over bijvoorbeeld de arbeidsintensiteit die hierin werd geïnvesteerd, of over de impact op de privacy van de verdachten en andere betrokkenen.

 "Er kan geen alomvattend beeld opgemaakt worden van de toepassing van de andere opsporingsmiddelen. Feit is dat rapporteren over hoeveelheden (...) weinig relevante elementen bijbrengt in het debat over de afweging tussen opsporing en de bescherming van individuele fundamentele rechten en vrijheden."

De nieuwssite haalt de gebruikte technieken aan waarvan het rapport desondanks een overzicht geeft, zoals direct afluisteren. Zo bleek dat in 2008 in 40 strafdossiers werd binnengedrongen in een woning om afluisterapparatuur te plaatsen, zonder toestemming of medeweten van de bewoner. Dat is bijna een verdubbeling tegenover 2007.

De DSB besluit onder meer dat een correcte weergave van "resultaten" onmogelijk is zonder bijvoorbeeld informatie over de beoordeling door de bodemrechter. De ultieme proef op de som voor de efficiëntie van de BOM is het moment waarop het dossier voor de rechtbank komt, schrijft De Werktitel. De rechter kan tot de conclusie komen dat de bewijslast niet overtuigend is en de verdachten vrijspreken.