Nederlandstalige asielrechters erkennen vrijwel nooit een asielzoeker als vluchteling. Dat zegt Vluchtelingenwerk Vlaanderen. Een asielzoeker die bij een Franstalige asielrechter terechtkomt, maakt een veel grotere kans op erkenning. Volgens Vluchtelingenwerk is het onevenwicht tussen Nederlandstalige en Franstalige rechters te groot.

Nederlandstalige asielrechters erkennen in slechts in 0,7 pct van de gevallen een asielzoeker als vluchteling. Concreet gaat het om een twintigtal erkenningen op 2.600 beslissingen. De Nederlandstalige Vlaamse rechters sturen ook zelden een dossier terug naar het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen: slechts in 0,6 pct van de gevallen krijgt de asielzoeker een kans op herziening van een negatief advies van het Commissariaat.

Bij de Franstalige asielrechters is het plaatje helemaal anders. Zij kenden in 6,3 pct de status van vluchteling toe en stuurden 8,8 pct van hun dossiers terug.

Vluchtelingenwerk Vlaanderen haalt de cijfers bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de administratieve rechtbank die sinds juni 2007 in beroep beslist over asiel- en vreemdelingendossiers.
'Dit zijn onrustwekkende cijfers die dringend om een verklaring vragen', zegt Vluchtelingenwerk. 'De discrepantie met de Franstalige cijfers lijkt ons te groot om enkel het gevolg te zijn van een verschil in soorten dossiers tussen beide taalrollen. Schuilt hier een verschil in visie en aanpak achter?'

Vluchtelingenwerk klaagde deze toestand vorig jaar al aan tijdens hoorzittingen in de Senaatscommissie Binnenlandse Zaken. De Senaat adviseerde in zijn eindevaluatie om een mechanisme te ontwerpen om deze discrepantie te voorkomen

'Dit mechanisme bestaat al', dixit Vluchtelingenwerk. De organisatie pleit ervoor om, om de eenheid van rechtspraak te bevorderen, een zaak toe te wijzen aan een kamer die zetelt met drie rechters of aan de algemene vergadering van de rechters.