Vrouwen 'wassen en plassen' gemiddeld nog steeds meer dan mannen. Dat zegt het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen in zijn nieuwe publicatie Gender en Tijdsbesteding. Die ongelijkheid in de verdeling van gezinsarbeid leidt tot kansenongelijkheid, benadrukt het Instituut.

Op basis van enquêtegegevens van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie maakte de onderzoeksgroep TOR van de Vrije Universiteit Brussel (VUB) een diepgaande analyse van genderverschillen in de tijdsbesteding. De cijfers geven aan hoezeer de stereotypen blijven bestaan.

Vrouwen van 19 t/m 65 jaar zijn per week gemiddeld 23 uur en 47 minuten bezig met huishoudelijk werk. Dat is bijna 10 uur (9u55) meer dan mannen. In koppels waar de vrouw een betaalde baan heeft en de man niet, besteedt de vrouw gemiddeld nog altijd 3 uur en 40 minuten meer aan huishoudelijk werk dan haar partner.

Gevolg van die ongelijke werkverdeling op het thuisfront is dat er voor vrouwen minder tijd overblijft voor andere zaken. Zo hebben vrouwen dagelijks bijna een uur minder vrije tijd.

De stereotypen spelen al van jongs af aan, zegt het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Meisjes van 12 tot en met 15 jaar doen op een schooldag al een derde meer huishoudelijk werk dan jongens en hebben 40 minuten minder vrije tijd.

Uit het onderzoek blijkt ook dat betaalde hulp in het huishouden nauwelijks een effect heeft op het aantal uren dat vrouwen en mannen zelf nog presteren in het huishouden. De taakverdeling wordt er niet meer gelijk door.