'Straks enkel nog dotatie voor vermoedelijke troonopvolger'
Foto: © REUTERS
Na Albert II moet het aantal leden van het koningshuis dat een dotatie krijgt, drastisch naar beneden. Enkel de vermoedelijke troonopvolger, de afgetreden koning en hun overlevende echtgenoot of echtgenote zouden een dotatie mogen krijgen. Dat staat in de aanbevelingen van de werkgroep 'Dotaties aan leden van de Koninklijke Familie'.

Vanaf de regeerperiode van de opvolger van koning Albert II, krijgt de vermoedelijke troonopvolger vanaf zijn of haar achttiende verjaardag een jaarlijkse dotatie om de functies waar te nemen die hij of zij vervult in overleg met de regering.

Een deel van de dotatie wordt vastgelegd op basis van een topfunctie in de magistratuur of in het openbaar ambt. Bij zijn of haar huwelijk wordt de dotatie verhoogd of krijgt de echtgenoot/echtgenote een eigen jaarlijkse dotatie.

Voorts hebben enkel nog de overlevende echtgenote/echtgenoot van de koning of vermoedelijke troonopvolger en de koning die vroegtijdig zijn functie neerlegt recht op een dotatie, luidt het nog in de aanbevelingen. Bovendien is een dotatie niet verenigbaar met een betaalde functie.

Er moet wel rekening gehouden worden met de wettelijke regeling die een dotatie met een persoonlijk karakter toekent aan prinses Astrid en prins Laurent, staat in de aanbevelingen. Een paar maanden terug was her en der gesuggereerd dat voor hen een soort uitdoofscenario voorzien zou worden. Daar ziet het nu niet naar uit.

Dubbele financiering

Tot nader order geniet het Belgische koningshuis een dubbele financiering. Vooreerst betaalt de 'civiele lijst' het levensonderhoud van koning Albert. De civiele lijst stelt de koning onafhankelijk in staat om alle kosten 'inherent aan de uitvoering van zijn ambt' te betalen.

Daarnaast ontvangen koningin Fabiola (de weduwe van Alberts broer en voorganger Boudewijn), kroonprins Filip en Alberts kinderen Astrid en Laurent een niet-belastbare dotatie. Die spoorde tot voor kort met het algemene indexcijfer, in tegenstelling tot de lagere gezondheidsindex voor de lonen van gewone Belgen.

De discussie kristalliseert zich rond de reikwijdte van de civiele lijst. Die zou lang niet alle uitgaven dekken. Zo betaalde de Regie der Gebouwen voor de beveiliging van de koninklijke domeinen. Buitenlandse Zaken financierde de buitenlandse reizen van de koning en zijn gevolg. Ook andere overheidsdiensten betalen al dan niet openlijk mee. Dit verhindert de opstelling van een internationaal vergelijkbare eindafrekening. De dotaties voor Astrid en Laurent, die nooit de Belgische troon zullen bestijgen maar leven op kosten van de belastingbetaler, vormen een tweede steen des aanstoots.

Vooral het laatste punt haalt dikwijls de actualiteit. Laurent strijkt jaarlijks ruim 300.000 euro op, maar zijn diensten aan de Belgische samenleving staan ter discussie. Begin 2008 zwol de kritiek nog aan toen bleek dat hij naast een dotatie ook inkomsten puurde uit vastgoedoperaties.