Charles Francis Richter stelde in 1935 een logaritmische schaal op voor het meten van de sterkte van aardbevingen. Logaritmisch wil zeggen dat een beving met elk punt ongeveer dertigmaal toeneemt in de hoeveelheid vrijgekomen energie: punt acht is dertig keer sterker dan zeven, 900 keer heviger dan zes en 27.000 keer zwaarder dan vijf. Jaarlijks trilt de aarde zowat 20.000 keer; de meeste van die bevingen worden door niemand gevoeld.

Vanaf vijf wordt een aardbeving door iedereen in het getroffen gebied gevoeld, en is er schade. Zeven staat gelijk aan dramatische schade, en acht is de drempel van de totale vernietiging.

Toch is de schaal van Richter geen absoluut richtsnoer. Evenveel hangt af van de diepte in de aardkorst waarop de schok zich voordoet. De stelregel daarbij is dat diepe bevingen voelbaar zijn in een uitgestrekter gebied maar minder schade aanrichten dan ondiepe bevingen, die evenwel in een kleinere zone aan de oppervlakte voelbaar zijn.

Aardbevingen zijn het gevolg van wrijvingen tussen platen van de aardkorst die drijven op een vloeibare kern. Als twee zulke platen tegen elkaar aanduwen, verschuiven ze doorgaans slechts enkele millimeters of hooguit een paar centimeters per jaar . Maar geleidelijk worden er op die raakpunten ongekend hevige spanningen opgebouwd, die bij een uiteindelijke ontlading heviger uitwerkingen hebben dan atoomwapens.