In 2005 kreeg de pas afgestudeerde filmmaker Joost Wynant een wild card (60.000 euro) van het Vlaams Audiovisueel Fonds voor zijn uitstekende kortfilm De laatste zomer. Het geld moest hij investeren in een volgend project. In plaats van opnieuw een kortfilm te draaien, ging hij op zoek naar meer geld om van De laatste zomer een langspeelfilm te maken. Een moedige, maar misschien wat overhaaste beslissing.

De originele kortfilm vertelde het verhaal van vier tienerjongens, een knap buurmeisje en een lange, hete zomer. Veel had het niet om het lijf, maar de typetjes waren charmant, en het was moeilijk om te weerstaan aan deze rake, vertederende brok jeugdsentiment. Maar een langspeelfilm is een ander paar mouwen en dat speelt Wynant naar het einde van De laatste zomer toe parten.

De film begint even charmant en grappig als de kortfilm. De plot is even lichtvoetig, maar er zitten zoveel herkenbare momenten in dat hij lange tijd blijft onderhouden. Wynant komt in de problemen wanneer hij er een echte verhaallijn probeert in te steken. Die botst flink met het spontane karakter van de vertolkingen, dialogen en heerlijk gênante situaties. Zeggen dat de finale daardoor het niveau heeft van een Vlaamse soapserie is wat overdreven, maar de magie is in elk geval weg.