Het Grondwettelijk Hof heeft enkele bepalingen vernietigd uit de wet op de bijzondere opsporingsmethoden, ook wel bekend als de BOM-wet. Het Hof struikelde onder meer over de nieuwe mogelijkheden die informanten krijgen in het kader van de wet en over de mogelijkheid om de methoden toe te passen tegen voortvluchtige gevangenen.
Het bewuste wetsontwerp werd eind 2005 goedgekeurd. Het wijzigt het wetboek van Strafvordering en het Strafwetboek en moet voor een efficiëntere strijd tegen de georganiseerde misdaad en het terrorisme zorgen. De tekst sleutelt ook aan de wet op de bijzondere opsporingsmethoden van 2003, waarvan het Arbitragehof een jaar eerder een deel had vernietigd.

Verschillende mensenrechtenorganisaties, maar ook de Ordes van Vlaamse Balies en van Franstalige en Duitstalige Balies trokken naar het Grondwettelijk Hof met tal van beroepen tegen het ontwerp. Het leeuwendeel ervan werd echter verworpen.

Een van de belangrijkste bepalingen die niet langs het Hof passeerden, slaat op de toelating die de procureur des konings kan geven aan informanten om misdrijven te plegen die strikt noodzakelijk zijn om hun informatiepositie niet kwijt te spelen.

Het Hof wijst er onder meer op dat 'niet kan worden aangenomen dat personen die noch politieambtenaren noch burgerlijke deskundigen zijn en die nauwe banden onderhouden met het criminele milieu, de voorafgaande toestemming zouden kunnen krijgen om zelf afbreuk te doen aan de fysieke integriteit van personen'.

Daarnaast vernietigt het Hof drie bepalingen die verband houden met de toepassing van observatie, infiltratie en informantenwerking tegen voortvluchtigen. De instantie vindt het niet kunnen dat geen enkele onafhankelijke en onpartijdige rechter de uitvoering van die methoden zou kunnen controleren.

Die controle is nochtans des te meer nodig omdat de rechten van andere personen dan de voortvluchtige veroordeelde zouden kunnen worden aangetast. Een andere bepaling die werd vernietigd, heeft betrekking op de controle van het vertrouwelijk dossier. Die moet gebeuren door de kamer van inbeschuldigingstelling. Het Hof vindt het echter niet kunnen dat tegen geen beroep bij het Hof van Cassatie kan worden ingediend tegen het arrest van de KI. Er is immers sprake van een verschil in behandeling met andere procedures, waar wel zo’n beroep mogelijk is, dat niet redelijk verantwoord is.