Minister van Justitie Jo Vandeurzen verspreidde donderdagavond een brief waarin hij zich verdedigde.
’Ik ben met verstomming verslagen dat de toepassing die gemaakt wordt van de wet die voor iedereen gelijk is, natuurlijke persoon of rechtspersoon, wordt omschreven als een ongeoorloofde druk, terwijl ik als minister van Justitie, die de inrichter is van de rechterlijke macht en hierin niet alleen een verantwoordelijkheid draagt, maar tevens actor in procedures wordt omschreven, de artikelen in de grondwet, het gerechtelijk wetboek en het wetboek van strafvordering zijn legio, thans wordt beschreven als handelingen die ik zou gesteld hebben als regeringslid.

Ondanks ik regeringslid ben, en ondanks de regering of de partij die hierin de verdediging waarneemt, kan ik mijn verplichtingen en verantwoordelijkheden als Mminister van Justitie niet opzij zetten, evenmin kan de procureur-generaal en evenmin kan het gans Openbaar Ministerie.

Dat ik geplaatst als minister van Justitie in een positie die het functioneren als minister van Justitie onmogelijk maakt door mij thans te verwijten dat ik gehandeld heb als regeringslid, brengt ons ganse rechtssysteem ernstig in het gevaar en tast de fundamentele rechten aan.

Het is dan ook duidelijk dat diegene die mij ten onrechte in deze positie plaatsen zich ernstig moeten bewust zijn van het feit dat de aantijgingen die ze, niet aan mijn adres persoonlijk doch aan het adres van ’de minister van Justitie’ als functie, uitten het ganse rechtsbestel uit evenwicht brengen.

Indien immers een minister van Justitie niet meer kan functioneren omdat hij tevens regeringslid is en de regering partij is in een zaak, en hij daarom niet kan handelen, zijn de fundamenten van onze grondwet aangetast.

U wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld u aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig