Ons land staat voor belangrijke uitdagingen. Voor het eerst sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog daalt de beroepsbevolking. De globalisering en de scherpe internationale concurrentie zetten de competitiviteit van onze ondernemingen onder druk en knagen aan onze marktaandelen. De toegenomen levensverwachting en de technologische vooruitgang in de medische sector vergen een ruimere financiering van de gezondheidszorg en de kosten verbonden aan de vergrijzing. De klimaatverandering dwingt ons meer tastbare resultaten te boeken in de duurzame omgang met natuurlijke rijkdommen en energie Wij zijn ervan overtuigd dat een samenhangend geheel van institutionele hervormingen een onderdeel moet vormen van het kordate en krachtige antwoord op deze en andere uitdagingen. Het is immers belangrijk dat de federale overheid en de deelstaten op een actievere manier en met krachtiger instrumenten een beleid kunnen voeren dat de economische groei versterkt, onze welvaart en ons welzijn verhoogt, onze solidaire verzorgingsstaat veilig stelt en ons leefmilieu vrijwaart.

Ons land heeft een mooie toekomst wanneer wij erin slagen een doelmatige uitoefening van de federale bevoegdheden te laten samengaan met meer ruimte voor de Gemeenschappen en de Gewesten om een beleid te voeren dat aangepast is aan hun noden en verwachtingen.

Instellingen en structuren zijn nooit een doel op zich. Instellingen en structuren zijn een middel om het samenleven van mensen op zulk een wijze te organiseren, dat voor die mensen zoveel mogelijk welvaart en een zo hoog mogelijk welzijn worden gecreëerd. Instellingen en structuren evolueren, vroeger en nu, hier en elders. In Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Spanje, Canada en India – om maar die landen te noemen – werd of wordt nagedacht over institutionele hervormingen, of zijn onlangs aanpassingen aan de werking van de staatsinstellingen doorgevoerd. Ons debat over een verdere staatshervorming is dus allesbehalve uitzonderlijk.

Sinds toenmalig Eerste Minister Gaston Eyskens op 18 februari 1970 vaststelde dat 'de unitaire staat, met zijn structuren en zijn werkwijze zoals die thans door de wetten nog geregeld zijn, door de gebeurtenissen achterhaald' was, werd ons land in vijf opeenvolgende stappen omgebouwd tot een federale Staat, met drie Gemeenschappen en drie Gewesten – een wereldwijd uniek concept. Elk van die vijf stappen was een vergelijk tussen de inzichten en de wensen van de twee grote gemeenschappen. Elke stap was het resultaat van onderhandelingen en dialoog – van soms lange onderhandelingen en soms moeizame dialoog. Elke stap had een breed, een partijoverschrijdend en enkele keren zelfs een coalitieoverschrijdend draagvlak. Elke stap kon rekenen op steun in de twee grote gemeenschappen – wat zijn juridische vertaling kreeg in het akkoord van 1970, dat institutionele wetgeving de instemming vereist van een meerderheid in elke taalgroep in de Kamer en de Senaat.

Het staatshervormingsproces was een permanent aftasten van het evenwicht tussen de verschillende beleidsniveaus. Dat leidde tot creatieve institutionele oplossingen en pragmatische compromisakkoorden die, zoals dat meestal gaat met een compromis, niet altijd volmaakt en bijna altijd complex waren. Het is de plicht van elke politieke generatie om te streven naar een betere werking van onze federale staat.

De materiële bevoegdheden zijn niet altijd doeltreffend en doelmatig over de onderscheiden beleidsniveaus verdeeld. Versnippering en vervlechting staan soms een eenduidig en krachtig beleid, een sterk en dienstbaar bestuur in de weg, waardoor de kostprijs van de beleidvoering soms te hoog is en kansen gemist worden om welvaart en welzijn te scheppen.

De Gemeenschappen en de Gewesten zijn slechts in zeer beperkte mate financieel verantwoordelijk voor het beleid dat ze voeren. Ook hun mogelijkheden om de fiscaliteit in te zetten als beleidsinstrument, is minimaal.

De financieringsregels zetten de middelen van de federale overheid om haar kerntaken te vervullen onder druk.

Het tweekamerstelsel zoals het bij de staatshervorming van 1993 aangepast werd aan de federale staatsinrichting, heeft de verwachtingen niet helemaal ingelost. Zo is het een algemene inschatting dat de Senaat zijn specifieke plaats in het federale landschap nog niet gevonden heeft.

De instellingen en de procedures die in het leven werden geroepen om enerzijds conflicten te voorkomen en te regelen, en anderzijds de samenwerking tussen de onderscheiden beleidsniveaus gestalte te geven, lijken eveneens aan revisie toe te zijn.

Ten aanzien van het Brusselse Gewest rijst onder meer de vraag of het een statuut en de middelen heeft die optimaal in overeenstemming zijn met zijn hoofdstedelijke en internationale functie.

Ten slotte – al heeft deze opsomming niet de pretentie exhaustief te zijn –, ten slotte kunnen we niet doof blijven voor bepaalde wensen om in nieuwe domeinen een beleid op maat te kunnen voeren. De waarde en de kracht van het federalisme liggen precies in de mogelijkheid om regionale verschillen te vertalen in het beleid, om rekening te houden met culturele verscheidenheid en om het beleid zo dicht mogelijk bij de mensen te brengen.

De voorbije maanden is het besef gegroeid dat de tijd is gekomen om een bijkomende, een zesde stap te doen naar een modern, beleidsvaardig, dienstbaar en stabiel federalisme, dat alle beleidsniveaus in staat stelt krachtig en doeltreffend in te spelen op de versnelde veranderingen in de diverse domeinen van het menselijke leven.

Een federalisme dat elk van de entiteiten toerust met werkbare instellingen, helder afgelijnde en homogene bevoegdheden, voldoende financiële middelen en eigen verantwoordelijkheid, om een krachtig en doelmatig beleid te kunnen voeren in zijn kerndomeinen.

Een federalisme waarin de verschillende entiteiten elkaar op een ondersteunende manier kunnen aanvullen en op een resultaatgerichte wijze harmonisch kunnen samenwerken.

Een federalisme dat de interpersoonlijke solidariteit op een transparante wijze gestalte geeft en op een duurzame wijze garandeert voor alle inwoners van het land.

Het is de opdracht van deze Werkgroep om, in de lijn van de vijf vorige staatshervormingen, een vergelijk te vinden tussen de inzichten en de verwachtingen van alle gemeenschappen, en voorstellen te doen die een breed draagvlak hebben en op steun in elke gemeenschap kunnen rekenen. Om enige kans op slagen te hebben, kan een hervormingsvoorstel immers nooit tegen één gemeenschap zijn gericht.

U wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld u aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig