BRUSSEL - Romano Prodi, voorzitter van de Europese Commissie, is tevreden met de opkomst in de vijftien oude lidstaten. In de nieuwe lidstaten stelt zich echter een groot probleem en is een ,,enorme inspanning'' nodig.
Romano Prodi heeft bij zijn aantreden in 1999 gesteld dat hij het succes van zijn voorzitterschap onder meer zou afmeten aan de opkomst bij de Europese verkiezingen. De opkomst daalde toen al gestaag sinds de eerste rechtstreekse verkiezingen in 1979.

De gemiddelde opkomst in de 25 lidstaten is nu opnieuw lager, maar Prodi maakt een onderscheid tussen oude en nieuwe lidstaten. In de oude lidstaten is er volgens hem een stabilisatie. In enkele landen (Nederland, Groot-Brittannië, ...) is er zelfs een stijging.

Voor Prodi is het wel ,,evident'' dat er een ,,ernstig probleem'' is in de nieuwe lidstaten. De opkomst in Cyprus en Malta was goed, in Letland en Litouwen viel het wel mee. Maar de rest was zeer onbevredigend. Volgens de Commissievoorzitter moet er een enorme inspanning geleverd worden en moet Europa terug in het politieke debat gebracht worden.

Politici moeten duidelijk maken dat Europa rechtstreeks ingrijpt in het dagelijks leven. Als eerste afspraak is er de Europese top later deze week, met mogelijk een beslissing over een Europese grondwet. Die grondwet moet de Europese democratie versterken.

Prodi haalt uit naar de eurosceptici. Het is makkelijk om je naar de kiezer te profileren als eurosceptisch, maar wat doe je dan in concrete dossiers? Hoe stem je als het gaat over maritieme veiligheid, milieuregels,...? Prodi wijst er ook op dat de Europese Unie ook niet mag versmald worden tot ’Brussel’.

Voor de Commissievoorzitter gaat er trouwens veel te veel aandacht naar die eurosceptici. Slechts tien procent van de nieuwe parlementairen staan kritisch tegenover Europa, de overgrote meerderheid steunt Europese integratie.