BRUSSEL - In de meeste van de 25 lidstaten van de Europese Unie hebben de kiezers de verkiezingen voor het europarlement aangegrepen om hun regering een afstraffing te geven. De regeringen van Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, Tsjechië, Polen, Hongarije, Denemarken en Portugal kregen er stuk voor stuk van langs van de kiezer. Kleine protestpartijen en extreem-rechts profiteerden daarvan. De grootste fractie in het europarlement blijft de conservatieve Europese Volkspartij (EVP). De opkomst bereikte met 45,3 procent een nieuwe dieptepunt. Vooral in de tien nieuwe lidstaten kwamen erg weinig mensen opdagen, 28,7 procent.
De EVP veroverde 276 van de 732 parlementszetels. De sociaal-democraten eindigden met 200 zetels als tweede partij en de liberaal-democraten met 66 zetels als derde. De Groenen behaalden 42 zetels en de socialisten 39. De overige 109 zetels gaan voornamelijk naar eurosceptische partijen en extreem-rechts. De protestpartij van de Oostenrijker Hans Peter Martin, die misbruik van het vergoedingssysteem voor europarlementariërs aan de kaak stelde, mag net als de beweging Europa Transparant van de Nederlander Paul van Buitenen waarschijnlijk twee mensen afvaardigen naar het parlement. Martins partij behaalde volgens de eerste uitslagen 14 procent van de stemmen.

In Groot-Brittannië, Zweden en zelfs het net toegetreden Tsjechië gingen veel stemmen naar partijen die de EU willen afschaffen. De uitslag betekent dat de tegenstellingen in het nieuwe parlement zullen worden aangescherpt. Robert Kilroy-Silk, de populaire Britse voormalige tv-presentator die een zetel won voor de anti-Europese UK Independence Party, zei dat premier Tony Blair blijk zou geven van "grote minachting voor de kiezers" als hij later deze week in Brussel zijn handtekening zet onder de Europese grondwet.

Vertrekkend parlementsvoorzitter Pat Cox, die de EU-leiders had gewaarschuwd dat zij meer moeten doen om hun electoraat te doordringen van het belang van de unie, zei dat er alarmbellen moeten gaan rinkelen. ,,Europa is te afwezig geweest in te veel campagnes'', zei hij tegen verslaggevers. ,,Staten, vooral die in Midden- en Oost-Europa, moeten hun kiezers gaan opvoeden op het gebied van de EU.''

In Duitsland, dat met 99 zetels de grootste afvaardiging naar het Europees parlement stuurt, leed de SPD van bondskanselier Gerhard Schröder een grote nederlaag. De sociaal-democraten verloren bijna eenderde van hun aanhang en kwamen uit op 21,5 procent, vergeleken met 30,7 procent bij de vorige Europese verkiezingen vijf jaar geleden. De christen-democratische CDU/CHU behaalde 44,5 procent, tegen 48,7 in 1999. De Groenen behaalden 11,9 procent en gaan daarmee van zeven naar dertien zetels in het europarlement. De FDP en de PDS eindigden met 6,1 procent beide net boven de kiesdrempel en krijgen elk zeven zetels.

De Labour-partij van de premier Tony Blair in Groot-Brittannië verloor ook fors. Met 22 procent van de stemmen, 6 punten minder dan in 1999, eindigde zij 5 punten achter de conservatieve oppositie. De radicale UK Independence Party, die voor het opzeggen van het Britse EU-lidmaatschap is, behaalde met 17 procent de derde plaats. Ook de extreem-rechtse British National Party boekte forse winst. De Liberaal-Democraten zakten met negen zetels, één minder dan in 1999, naar de vierde plaats.

In Frankrijk bleef de UMP van president Jacques Chirac met 16,6 procent van de stemmen ver achter bij de Socialistische Partij, die uitkwam op 28,9 procent. Het extreem-rechtse Front National van Jean-Marie Le Pen verdubbelde zijn zetelaantal in het Europees Parlement waarschijnlijk van vijf naar tien.

In Spanje zetten de socialisten hun overwinning bij de parlementsverkiezingen in maart kracht bij met een kleine overwinning op de Partido Popular. Met 99 procent van de stemmen geteld stonden de socialisten op 43.3 procent en de PP op 41.3 procent, goed voor respectievelijk 25 en 23 zetels. De opkomst in Spanje lag op ongeveer 46 procent. In Portugal, waar ook bijna alle stemmen geteld zijn, leed de regering van sociaal-democraten en conservatieven een nederlaag. De socialistische oppositie haalde 44,5 procent en de regeringscoalitie 33 procent.

Zwaar verlies leed de regering van Tsjechië. De door de sociaal-democraten aangevoerde regeringscoalitie won slechts vijf van de 24 Tsjechische zetels in het europarlement, terwijl de centrum-rechtse oppositie er negen in de wacht sleepte. ,,De partijen die tegen integratie zijn hebben gewonnen", erkende premier Vladimir Spidla. De communisten, ook in de oppositie, werden tweede met 17 procent.

In Italië, waar de deelname aan de internationale troepenmacht die Irak bezet houdt bijzonder impopulair is bij de bevolking, ging premier Silvio Berlusconi’s Forza Italia achteruit naar 20,5 procent (van 25,2 procent in 1999). Omdat de andere regeringspartijen gelijk bleven of er iets op vooruit gingen, bleef het verlies van Berlusconi’s coalitie beperkt. Volgens de laatste prognose behaalden de centrumlinkse partijen 45,6 procent, tegen 43 procent voor Berlusconi’s centrumrechtse alliantie.

De regerende Zweedse sociaal-democraten wisten hun zetelaantal op peil te houden. Verrassend was de score van de protestpartij Juni-lijst. De anti-Europese partij, speciaal voor de verkiezingen opgericht, eindigde met 14 procent op een derde plaats en mag zeker twee, en mogelijk zelfs drie van de negentien Zweedse europarlementsleden leveren. De opkomst bedroeg 30 procent. 

Ook de Griekse regering van premier Kostas Karamanlis deed het niet slecht.

In Polen, de grootste nieuwe toetreder tot de EU, behaalden de centrumrechtse oppositie en anti-Europese nationalisten echter de meeste stemmen. De regerende Democratisch Linkse Alliantie, de opvolger van de communistische partij, eindigde met slechts ongeveer 11 procent van de stemmen als vierde. De Poolse kiezers hebben zich volledig afgekeerd van de partij die in 2001 nog met 41 procent van de stemmen aan de macht kwam. De opkomst bedroeg iets meer dan 20 procent.

In Hongarije eindigde de regerende socialistische partij 13 punten achter de oppositiepartij Fidesh, die maar liefst 47,4 procent binnenhaalde. Op Cyprus verschilde de uitkomst weinig van die van het referendum over hereniging van het eiland in april. De partijen die toen tegen het herenigingsplan van de Verenigde Naties stemden behielden de meerderheid met vier van de zes zetels die Cyprus in het europarlement zijn toegewezen.

Commentatoren wijten de verkiezingsnederlagen voor veel van de regeringspartijen bij de Europese verkiezingen aan het slechte economische klimaat en in een aantal gevallen aan de impopulariteit van de steun van regeringen voor de oorlog in Irak.