Meer aandacht naar praktijk bij lerarenopleiding
BRUSSEL - Meer stage, meer begeleiding, een heldere structuur, een versterking van de inhoud en meer samenwerking. Dat zijn de krachtlijnen van de hervorming van de lerarenopleiding die Vlaams minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke (SP.A) heeft uitgedokterd. Met de plannen is 13,9 miljoen euro per jaar gemoeid. De Vlaamse regering keurde ze vrijdag goed.

Wie vandaag leraar wil worden, kan dat op drie manieren. Kleuterleiders, leerkrachten basisonderwijs of regenten in spe volgen een driejarige opleiding aan de hogeschool, na een universiteitsopleiding kan iemand aanvullend een aggregaat halen en wie al een andere opleiding heeft gevolgd, kan via het volwassenenonderwijs een getuigschrift van pedagogische bekwaamheid behalen.

Dat laatste geeft recht op een volwaardig loon. De aanleiding voor de hervorming is tweeledig. Enerzijds moet de lerarenopleiding nog worden ingepast in de bachelor-masterstructuur, op basis van de zogenaamde Bologna-akkoorden.

Anderzijds was de opleiding onderwerp van een kritische evaluatie. Die wees op een gebrek aan praktijkervaring van beginnende leerkrachten, wat mee de hoge uitstroom van startende leerkrachten in de eerste jaren van hun loopbaan kan verklaren.

 

Twee soorten opleidingen

 

Met de hervorming blijven nog twee soorten opleidingen behouden. De driejarige opleiding is een ’geïntegreerde lerarenopleiding’ van 180 studiepunten. Daarin zit een stage van 45 studiepunten vervat. De opleiding blijft aangeboden als een professionele bacherloropleiding aan de hogescholen.

Daarnaast komt er een ’specifieke lerarenopleiding’ van 60 studiepunten, waarvan de helft stage. Ze geldt voor studenten die al een diploma uit hoger of volwassenenonderwijs op zak hebben en die in hun discipline enkel nog pedagogisch of didactisch moeten worden gevormd.

 

 De opleidingen kunnen worden aangeboden door universiteiten volwassenenonderwijs en - voor het eerst - door hogescholen. Binnen deze structuur wordt de inhoud van de opleidingen versterkt. Zo zal bij de geïntegreerde opleiding leraar secundair onderwijs moeten worden gekozen voor drie in plaats van twee specialisaties. Voorts zullen alle opleidingen geënt zijn op dezelfde set basiscompetenties en leiden tot hetzelfde diploma.

 

Er wordt ook gewaakt over de studieduur. Zo zullen, bij specifieke lerarenopleidingen die volgen op een masteropleiding, dertig studiepunten indalen in een tweejarige master. Dat moet voorkomen dat iemand die bijvoorbeeld een vijfjarige opleiding volgt, een zesde jaar zal moeten studeren om voor de klas te kunnen staan. De hervorming voorziet een groot luik rond praktijkervaring en begeleiding. De omvang van de stage is duidelijk vastgelegd.

Bij specifieke opleidingen kan de stage tijdens of na de vakinhoudelijke opleiding plaatsvinden. De student kan die stage ook al werkend invullen en wordt dan betaald als leerkracht-in-opleiding (LIO). Er komt ook begeleiding van startende leerkrachten en voor LIO’s. Daarvoor zullen scholengemeenschappen mentoren kunnen aanstellen: ervaren leerkrachten die voor een deel van hun opdracht tijd kunnen vrijmaken voor de ondersteuning van stagiairs, LIO’s en starters. Voor een stagiair gaat het om een uur per twee weken, voor een LIO een uur per week en voor een starter een uur per drie weken.

 

Vandenbroucke benadrukt dat het niet gaat om een nieuwe functie, waarbij bijvoorbeeld leerkrachten die niet meer voor de klas willen staan mentoren worden. De minister pleit ook voor meer samenwerking tussen instellingen die een lerarenopleiding aanbieden. Daarbij kunnen samenwerkingsakkoorden worden gesloten of de samenwerking per associatie worden verankerd in een expertisenetwerk. Dat zal door de overheid worden gefinancierd.

 

Alles samen maakt Vandenbroucke elk jaar 13,9 miljoen euro vrij voor de hervorming. Daarvan gaat 7,9 miljoen euro naar de inschakeling van de mentoren. Sinds nieuwjaar kunnen al mentoren worden aangeduid voor starters in het secundair onderwijs. Vanaf september wordt het systeem veralgemeend. Voor de erkenning en subsidiëring van expertisenetwerken, voorzien vanaf 1 januari 2007, is 2,9 miljoen euro beschikbaar. De vernieuwde opleidingen starten vanaf september 2007. Daarmee is 3,1 miljoen euro gemoeid.