De vondst dateert van eind 2006. De codex lag in een doos met Romeinse hout- en legerfragmenten. De doos zelf werd al in de jaren dertig opgegraven, maar werd nooit grondig onderzocht. Omdat de papyruscodex geen inventarisnummer droeg en bij andere Romeinse vondsten werd aangetroffen, werd er aanvankelijk van uit gegaan dat het stuk ook uit de Romeinse tijd dateerde. Ten onrechte, zo blijkt nu.
Onderzoek door papyroloog professor Clarysse van de K.U.Leuven wees uit dat het om een codex uit papyrus ging en dat de vondst voor Noordwest-Europa uniek was. Daarop schreef het Gallo-Romeins Museum een onderzoeksopdracht uit voor het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium.
De codex zelf is lichtbruin, bijna vierkant van vorm en meet 140 op 130 millimeter. De dikte varieert van 16 tot 46 millimeter. Het boekje zelf is samengesteld uit ongeveer honderd bladzijden, die oorspronkelijk als één bundel dichtgevouwen werden. Eén deel van de codex is echter verloren gegaan.
Om na te gaan of er nog tekstrestanten aanwezig zijn, werden al fotografische opnamen onder UV-belichting gemaakt. Er werden echter geen sporen van ijzergal-inkten aangetroffen, de voor die tijd gebruikelijke inkt. Lokaal werden wel concentraties van koper, ijzer en zink aangetroffen. Die vormen mogelijk een aanwijzing voor inkt die grotendeels gedesintegreerd is, aldus de onderzoekers. Zij sluiten niet uit dat er binnenin de codex wel tekst of koolstofinkt bevindt.
In westerse bibliotheken worden slechts een tiental fragmentaire papyrusboeken bewaard. Een zestal daarvan zijn echte boeken uit de zesde tot de achtste eeuw. De codex uit de tiende eeuw werpt een nieuw licht op de geschiedenis van het boek, doordat nu blijkt dat de rol van papyrus als schrijfmateriaal in de negende eeuw nog niet uitgespeeld was.