BRUSSEL - Twee personen hebben eind vorige week bij het Brusselse gerecht klacht ingediend met burgerlijke partijstelling tegen de Israëlische premier Ariel Sharon. Zij klagen hem aan wegens misdaden tegen de menselijkheid en verklaren te handelen in naam van een tot dusver onbekend comité tegen het terrorisme en de straffeloosheid.
Onderzoeksrechter Patrick Collignon zal eerst de ontvankelijkheid van de klacht onderzoeken, onder meer aan de hand van de statuten van het nog onbekende comité. Daarnaast moet nagetrokken worden in welke mate de klagers enig nadeel kunnen ondervonden hebben door de feiten, waarvan ze Sharon beschuldigen.

Sabra en Chatila

De summiere klacht slaat niet op welbepaalde feiten, ook al gaat het gerecht ervan uit dat de klagers later allicht zullen verwijzen naar de eventuele verantwoordelijkheid van Ariel Sharon als minister van Defensie ten tijde van het bloedbad in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Chatila in september 1982.

De Israëlische troepen omsingelden toen de kampen in West-Beiroet en lieten de falangistische milities de kampen uitkammen op zoek naar Palestijnse strijders. Er werden bitter weinig strijders aangetroffen, maar de falangisten moordden meer dan 800 burgers uit. De klacht tegen Sharon volgt op soortgelijke klachten, die eerder al in Brussel werden ingediend tegen ondermeer verscheidene Rwandezen in het raam van de genocide (wat geleid heeft tot het huidige proces) en tegen de Chileense dictator Augusto Pinochet voor zijn doodseskaders.