De leider van de Japanse Democratische Partij (DPJ), Ichiro Ozawa, heeft zondag zijn aftreden aangekondigd. Hij deed dat nadat zijn partij een aanbod van premier Yasuo Fukuda afwees om toe te treden tot de regering.
Ozawa zei de afwijzing van het aanbod als een motie van wantrouwen tegen zijn persoon te beschouwen. De voorzitter van de DPJ, de grootste oppositiepartij, heeft het aftreden van Ozawa niet geaccepteerd en zei maandag te zullen proberen de partijleider op andere gedachten te brengen.

Ozawa was wel bereid het aanbod van Fukuda in overweging te nemen. Hij noemde regeringsdeelname ‘een korte weg naar de macht’. In plaats van het aanbod aan te nemen, eiste het DPJ-bestuur echter vervroegde verkiezingen.

In de Japanse politiek is een onwerkbare situatie ontstaan, doordat de DPJ sinds de in juli gehouden verkiezingen de meerderheid in het Hogerhuis heeft. In het Lagerhuis maakt de Liberaal-Democratische Partij (LDP) van Fukuda, die in september de afgetreden premier Shinzo Abe opvolgde, de dienst uit. Het parlement heeft sinds het in september terugkwam van zomerreces nog geen enkel wetsvoorstel aangenomen.