Verkeersopvoeding in secundair onderwijs vaak ondermaats
BRUSSEL - De verkeersopvoeding in het secundair onderwijs moet beter. Bijna de helft van de secundaire scholen besteedt helemaal geen aandacht aan verkeerseducatie en veel jongeren kennen de verkeersregels niet of onvoldoende. Dat concludeert VAB na een bevraging bij 290 jongeren die het afgelopen schooljaar les volgden in het hoger secundair onderwijs
Sinds vorig schooljaar is het secundair onderwijs verplicht aan verkeerseducatie te doen. De vakoverschrijdende eindtermen bepalen onder meer dat leerlingen het verkeersreglement moeten kennen als voetganger, fietser en passagier en de regels ook moeten kunnen toepassen.

Maar uit de VAB-bevraging blijkt dat bijna de helft van de secundaire scholen totaal geen aandacht besteedt aan verkeersopvoeding en dat maar 16 procent van de leerlingen zijn kennis van de verkeersregels haalt uit het secundair onderwijs (tegenover 90 procent in het lager onderwijs).

De enquête peilde ook naar de kennis van de leerlingen rond voorrangsregels. Daaruit blijkt dat maar 42 procent van de leerlingen weet dat fietsers geen voorrang hebben aan een fietsoversteekplaats en dat amper 34 procent van de fietsers weet dat ook zij voorrang van rechts moeten geven aan andere weggebruikers.

Voor de VAB moeten secundaire scholen ook meer inspanningen doen om jongeren voor te bereiden op het theoretisch rijexamen, want het secundair onderwijs speelt ,,een cruciale rol in het al of niet slagen van de hervormde rijopleiding''. Leerlingen die niet extra gestimuleerd worden om te starten met hun praktische rijopleiding, zullen na hun 18de vaak gewoon kiezen voor een minimum stageperiode van drie maanden, een periode die volgens VAB vaak te kort wordt om relevante rijervaring op te doen.

Reactie Vandenbroucke

Vlaams minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke wil nagaan of de verkeerseducatie in het secundair onderwijs kan worden versterkt. ,,Het is heel belangrijk dat scholen voldoende aandacht geven aan verkeersopvoeding'', stellen Vandenbroucke en zijn collega voor Mobiliteit Kathleen van Brempt maandag in een gezamelijke reactie.