Mei '68: veertig jaar later
Foto: rr
Veertig jaar geleden zette ‘mei ‘68’ de wereld op zijn kop. Toch eisten de studenten alleen wat de tijd nodig had: een democratisering die de politiek en de cultuur een nieuwe dynamiek kon geven.
In mei 1968 stond Cliff Richard boven aan de Belgische hitparade met ‘Congratulations’, het liedje waarmee hij net tweede was geworden op het Eurovisiesongfestival. Na hem kwamen twee crooners, Tom Jones met ‘Delilah’ en Engelbert Humperdinck met ‘A man without love’. Als er zich al een revolutie zou hebben afgespeeld in die roemruchte meimaand van 1968, dan is dat toch niet te zien aan de muzikale smaak van toen, al zou de populaire muziek mee de drager van die revolutie zijn geweest.

Ja, The Beatles brachten dat jaar wel het nummer ‘Revolution’ uit, dan nog in verschillende versies. Die versies suggereren twijfel, net als de tekst, die stelt dat foto’s van de Chinese leider Mao Zedong niemand motiveren en dat het niet nodig is om de grondwet of de instellingen te veranderen, omdat de echte verandering in het eigen hoofd moet gebeuren. En wanneer er vernielingen werden aangericht, moest niemand op The Beatles rekenen. Maar het refrein kan niet genoeg herhalen dat it’s gonna be all right, dat alles wel goed komt.

Zo dubbel is ook wat er rond 1968 gebeurde. Daaruit sprak veel ongenoegen over het structurele onrecht in de wereld, met als symbool de almaar escalerende, elke avond in het tv-journaal breed uitgemeten oorlog in Vietnam. Die gruwel suggereerde dat er moreel toch iets mis was met de Verenigde Staten, de leider van het Vrije Westen, die onze rijkdom en beschaving beschermde tegen de roden, ons de Amerikaanse keuken had geschonken en naar wie we de filet américain hadden genoemd.

De oorlog gold als het symbool van alle andere sociale, economische en politieke onrecht. Maar toch waren het niet in de eerste plaats de slachtoffers daarvan, de verworpenen der aarde of de proletariërs aller landen die voorop liepen in de betogingen. Medio mei 1968 trokken in Parijs wel massa’s arbeiders mee de straat op en kwam het in heel Frankrijk tot een algemene staking. Zelfs het filmfestival van Cannes, met al zijn chichi, werd afgelast. Maar eind juni al gaf Jean-met-het-stokbrood bij vervroegde verkiezingen wel een overweldigende meerderheid aan de rechtse partij van president Charles De Gaulle, de pispaal van het meiprotest. Leonard Cohen vatte het allicht het best samen in de song ‘Bird on the wire’, uit 1968. Een oude bedelaar op krukken zegt hem daarin om toch maar niet te veel te vragen. Maar een mooie vrouw roept hem toe: ‘Hey, why not ask for more?’ – waarom niet nog meer vragen?

De brede, bijna wereldomspannende beweging die nu ‘mei ‘68’ wordt genoemd, is dan ook het product van het optimisme, in zekere zin zelfs van het ongeduld. Niet les misérables, maar juist zij die nog alles te verwachten hadden, in de eerste plaats de studenten, waren er de motor van. ‘68 wortelt tenslotte niet in een crisis, maar in een hoogconjunctuur, de golden sixties.

Zeker de Belgen mochten optimistisch zijn. In dat decennium groeide de economie gemiddeld met een solide vijf procent per jaar, drijvend op goedkope energie, een demografische boom, een uitstekende infrastructuur, voortreffelijk onderwijs, sociale harmonie, buitenlandse investeringen en, toen de lokale arbeidsmarkt te krap werd, ‘gastarbeiders’ uit Noord-Afrika en Turkije. Tussen 1951 en 1975 vervijfvoudigden de lonen, terwijl de prijzen maar met een factor 2,2 stegen, zodat de koopkracht meer dan verdubbelde. Bezaten in 1960 een half miljoen Belgen een tv-toestel, in 1972 waren dat er al 2,3 miljoen. Ze hadden in 1960 samen driekwart miljoen personenauto’s, tien jaar later twee miljoen: in 1965 daalde voor het eerst in de geschiedenis het aantal klanten van de NMBS.

Sociale harmonie

En er verschoof iets fundamenteels. Terwijl de klassieke industrieën in Wallonië, zeker de mijnbouw, in een structurele crisis wegzakten, brachten multinationals nieuwe fabrieken naar Vlaanderen. Toen de Luxemburgse holding Arbed (nu een onderdeel van ArcelorMittal) in 1964 dan toch nieuw staalbedrijf oprichtte, Sidmar, gebeurde dat niet in Wallonië, maar in de Gentse kanaalzone. In 1966 steeg het Vlaamse aandeel in het bruto binnenlands product boven het Waalse uit, een jaar later telde Wallonië voor het eerst meer werklozen dan Vlaanderen.

Eendracht maakt macht: de Belgen dankten hun voorspoed in belangrijke mate aan de sociale harmonie. Die steunde op het sociaal pact van 1944, dat de basis legde voor de huidige sociale zekerheid. Daarin kreeg de staat alleen een rol als financier, met de sociale partners als beheerders. Dat systeem mag rustig neocorporatistisch heten. Vakbonden en werkgevers verstonden elkaar uitstekend. Wat nog restte aan strijdsyndicalisme, verdween met de mislukte Winterstaking van 1959-1960. Het forum van de sociale strijd verschoof van de straat naar de onderhandelingstafel. Het eerste interprofessionele sociaal akkoord dateert van 1960.

De bonden beloofden sociale vrede en een verdere stijging van de productiviteit, in ruil daarvoor kregen ze meer loon en sociale voordelen. Het belangrijkste daarvan was de indexkoppeling, die werknemers de garantie gaf dat hun koopkracht er nooit meer op achteruit zou gaan – een trauma uit de crisis van de jaren dertig. Nooit eerder konden de Belgen naar bed gaan met de zekerheid dat ze nooit meer arm konden worden.

Maar dat alles had ook een keerzijde. De gestaag toenemende welvaart werkten vooral materialisme en consumptie in de hand en niet bijster veel welzijn. Ondertussen versterkten de brede maatschappelijke consensus en het harmoniemodel nog de verzuiling. In die maatschappelijke verkokering hadden de ideologische zuilen, elk bestaande uit een amalgaam van politieke, sociale, economische en culturele organisaties, de macht en het geld onder elkaar verdeeld.

Daar bovenop troonde een establishment dat al sinds de Tweede Wereldoorlog aan de macht was. Het waren de hoogdagen van de canapépolitiek, waarin katholieken, socialisten en, op de tweede rij, liberalen elkaar perfect begrepen. Met Expo ‘58 had deze elite zich al eens in de bloemetjes laten zetten. In de jaren zestig toonde ze zich nog altijd zeer tevreden over hoe ze het naoorlogse herstel en de daarop volgende bloei had georganiseerd. En wie ziet dat het goed was, wil daar niet meteen wat aan veranderen.

Zo kon ‘inspraak’ een sleutelwoord van mei ‘68 worden. Die vraag om medezeggenschap is letterlijk een contestatie van de bestaande, gesloten en elitaire machtsstructuren. Maar daarachter schuilt in principe geen revolutionaire ambitie, integendeel zelfs. Want het is een vraag om integratie, om betrokken te worden bij de structuren, niet om die te vernietigen.

Babyboom

Velen vaarden wel bij het status-quo van de jaren zestig, maar niet iedereen had erin een plaats gekregen. Sommigen ervoeren de heersende consensus daarom als aftands, paternalistisch en verstikkend. Dat gold in de eerste plaats voor de jongeren, die zich hadden ontwikkeld tot een nieuwe, tevoren niet als zodanig bestaande sociale groep.

Vooral het onderwijs had die jongeren tot een aparte categorie gemaakt, temeer daar die groep van in de jaren vijftig door de naoorlogse babyboom weer een groeiend aandeel in de bevolking begon uit te maken. Tevoren ‘verdwenen’ tieners geleidelijk aan in het arbeidsproces, nu gingen ze langer naar school en zelfs naar de universiteit. Maar ze werden, omdat ze nog niet economisch productief waren, nog altijd als onmondige kinderen behandeld. Die autoritaire bejegening maakte deze generatie gevoelig voor de emancipatie, in de eerste plaats van haarzelf.

Langer studeren leidde tot het ontstaan van een tevoren onbekende levensfase, tussen jeugd en volwassenheid in. Die kreeg vorm in een aparte subcultuur – in de VS zelfs een tegencultuur – met een eigen identiteit. Jongeren wilden zich onderscheiden door zich anders te kleden (jeans voor jongens, de minirok voor meisjes) en hun haar lang te dragen, ze vonden in de popmuziek een eigen stem en meenden hun beknelde bewustzijn te kunnen verruimen met LSD en marihuana.

En wat hun ook fel interesseerde, gezien hun leeftijd, was seks, want zeker op dat vlak bleef de repressie groot. Alleen de apotheker verkocht voorbehoedsmiddelen, abortus was al helemaal verboden en de persdistributie had volk in dienst om in Playboy tepels en schaamhaar te verbergen achter dikke viltstiftstrepen. In juli 1968 schreef paus Paulus VI in de encycliek Humanae Vitae dat van anticonceptie uit den boze bleef. In België liet minister van Justitie Alfons Vranckx, een socialist, de roman Gangreen I van Jef Geeraerts wegens vieze praat in beslag nemen.

Van de weeromstuit kon vrije seks een symbool van persoonlijke bevrijding worden; de goegemeente liet zich graag provoceren door wat bloot. De Parijse revolte begon ook toen de studenten in Nanterre afwilden van het verbod om meisjes op hun ‘kot’ te ontvangen. De tevoren zeer brave Leuvense afdeling van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV) gaf in 1967 een ‘seksnummer’ van zijn tijdschrift Ons Leven uit. Waarna hoofdredacteur Ludo Martens van de universiteit werd gestuurd.

In Leuven broeide het al langer, zij het op een wat vreemde manier. Overal, het eerst in de VS en in Duitsland, begon de onrust al halfweg de jaren zestig met eisen tot inspraak in het bestuur van de nog erg autoritair georganiseerde, ‘burgerlijke’ universiteiten. Die stuitten meestal op een hautaine afwijzing, wat, net als het vaak hardhandige politieoptreden bij betogingen, de eis van emancipatie en democratisering nog radicaliseerde. Zo kreeg de beweging haar linkse en antikapitalistische kleur. Via de massamedia kon iedereen die beweging overal ter wereld volgen – en zich erdoor laten inspireren.

Walen buiten

In Leuven ging het wat vreemd omdat de inspiratie er niet uit het jongerenprotest stamde, maar uit de Vlaamse Beweging. De toenemende Vlaamse rijkdom had het flamingantisme assertiever gemaakt en zijn politieke emanatie, de Volksunie, droeg een aura van non-conformisme, enigszins vergelijkbaar met dat van Agalev in de beginjaren. Dat trok jongeren aan, ondanks de ‘zwarte’ erfzonde van de collaboratie. Een student die in de jaren zestig en zeventig voor een van de drie traditionele partijen zou stemmen (wat toen pas kon vanaf 21 jaar), moest wel een doetje zijn.

Van in het begin van de jaren zestig bloeide het regionalisme in België, in Wallonië om zelf een economische renaissance te organiseren, sinds er van l’état belgo-flamand niets meer te verwachten viel, in Vlaanderen om de verfransing tegen te houden. Daarom was in 1962-1963 ook de taalgrens vastgelegd, al bleef in Vlaanderen nog een prestigieus Franstalig bastion overeind: de francofone afdeling van de Leuvense universiteit.

De zaak werd acuut toen de universiteit aan uitbreiding toe was. De vanouds overwegend flamingantische studentenbeweging eiste de ‘overheveling’ van de Franstalige afdeling naar de andere kant van de taalgrens. ‘Walen buiten’ was geboren, wat aan Franstalige kant voor een nog altijd niet geheeld trauma zorgde: ze ervoeren de eis bijna als een oproep tot etnische zuivering.

Tot de bisschoppen, de inrichtende macht van de universiteit, op 13 mei 1966 kozen voor de aloude autoritaire methode, meedeelden dat de Franstaligen in Leuven zouden blijven, en daarmee was de discussie gesloten. Het massale protest dat daarop volgde, leidde tot een snelle radicalisering van de studentenbeweging. Ze ruilde de conservatieve en kleinburgerlijke Vlaamse Beweging in voor het marxisme en de Vlaamse Leeuw voor We shall overcome, het strijdlied van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. De kwestie-Leuven leidde begin 1968 tot de val van de rooms-rode regering van Paul Vanden Boeynants en enkele maanden later volgde het nieuws dat een gloednieuwe Université Catholique de Louvain uit de akkers van Ottignies zou oprijzen. Maar dat was toen al veel minder de zorg van het radicale jongerenprotest.

In Antwerpen hadden de jezuïeten het aan hun faculteiten slimmer aangepakt en mogelijk protest gesmoord door studenten inderdaad inspraak te geven. Maar aan de grote universiteiten van Gent en Brussel broeide het verzet wel degelijk, al zou het in Gent pas begin 1969 tot een uitbarsting komen. De eisen waren telkens hetzelfde: een democratisering van de universiteit, omkranst door een breed, links maatschappelijk engagement.

Maar studenten blijven niet eindeloos studeren. De radicaliteit van de studentenbeweging ebde in de jaren zeventig weg. Alleen een fractie ervan, vooral de maoïsten die China tot hun utopische voorbeeld hadden genomen, gingen consequent door, met een eigen partij, Amada (nu PVDA), door als arbeider naar de fabriek te trekken of als dokter tegen terugbetalingstarief te werken.

Maar toen werd ook duidelijk hoe marginaal de beweging wel was. Ze had vooral de aandacht getrokken omdat ze spectaculair, mondig en sexy was. Toch kan haar invloed niet worden onderschat. Ze verplichtte de vermolmde structuren om zich te moderniseren en te democratiseren en bracht een nieuwe vitaliteit in onder meer de kunst en de media. Helemaal verbeterd kwam de wereld er niet uit: sociale ongelijkheden of de scheve verhoudingen tussen rijke en arme landen of tussen mannen en vrouwen zijn nog lang niet verdwenen. Zelfs in het revolutionaire Parijs smeerden de meisjes nog altijd de boterhammen voor de krijgers op de barricaden.

Niettemin maken de huidige critici van mei ‘68, van CD&V-voorzitter Wouter Beke tot de Franse president Nicolas Sarkozy, er zich te snel van af als ze de beweging verantwoordelijk willen houden voor de ondergang van fatsoen en respect. Het is tekenend dat mei ‘68 ook de Praagse Lente inspireerde, de opstand in Tsjecho-Slovakije tegen de Sovjetdictatuur. De samenleving was nu eenmaal toe aan een nieuwe, democratische dynamiek. Iemand moest dat toch eens zeggen? In die zin was een ‘mei ‘68’ zelfs onoverkomelijk. Zelfs zonder mei ‘68 zou er een mei ‘68 zijn geweest.