GENT - het openbaar ministerie geeft in zijn rekwisitoor een gedetailleerd overzicht van de manier waarop L&H zijn boekhouding kunstmatig spekte. Dat was nodig om de beurskoers hoog te houden in het kader van het agressieve overnamebeleid. De fraude gebeurde via een systeem van nevenbedrijven die licentievergoedingen betaalden aan L&H.
Het OM toont in detail waar het geld vandaan kwam voor de betaling van licentie-inkomsten die de omzet van L&H spekten. De rode draad daarbij is dat het niet om onafhankelijke inkomsten ging, maar dat L&H - en vooral de stichters van L&H - op tal van manieren tussenkwamen, onder meer door borgstellingen af te leveren voor het losweken van leningen. Het OM spreekt van een carrousel die kwartaal op kwartaal doorging.

De betwiste boekhouding van L&H valt uiteen in twee periodes: de fase van de language development companies (LDC's) - tweede helft 1998 en 1999 - en de omzet in Korea - tweede helft 1999 tot najaar 2000.

In de loop van 1998 en 1999 komen er 32 taalbedrijven. Die vallen uiteen in 18 LDC's, 7 CLDC's (cross language development companies) en 7 IAC's (intelligent agent companies). Die vennootschappen sluiten met L&H een licentieovereenkomst af voor de ontwikkeling van spraak-, vertaal- en dicteersoftware gebaseerd op de L&H-technologie.

Alle licentieovereenkomsten worden afgesloten op het einde van een kwartaal met een op dat moment op te richten vennootschap. De overeenkomsten genereren bij L&H voor 110,5 miljoen dollar omzetboekingen. De inzet van de talrijke LDC's is de ontwikkeling van twintig nieuwe talen bij de beursgenoteerde L&H-groep.

In feite liet het systeem toe om kosten van onderzoek en ontwikkeling niet alleen uit de balans te houden, maar ook om van een kost een inkomstenbron te maken. In de kering is het verschil dubbel. Dat idee werd al toegepast in 1996 met de lancering van het Dictation Consortium en in 1997 met de oprichting van de Brussels Translation Group (BTG).

Zeven overeenkomsten werden afgesloten met L&H België en 25 met L&H Asia (Singapore). De eerste elf van die Aziatische bedrijven hebben hun zetel in België, de andere in Singapore.

Alle overeenkomsten met de taalbedrijven zijn identieke standaardcontracten. 'Er werd, op enkele zeldzame uitzonderingen na, niet over onderhandeld', merkt het OM op. Het OM stelt vast dat er, zodra de nevenbedrijfjes zijn opgericht, weinig ontwikkeling gebeurt.

L&H lijkt maar één interesse te hebben: bij elke verkoop van een contract een eenmalige 'upfront'-licentie-inkomst boeken van 3 miljoen dollar. Een bedrag dat vanaf het tweede kwartaal 1999 overigens verhoogd wordt tot 4 miljoen dollar.

De zeven taalbedrijven die in 1998 gelanceerd worden, zijn goed voor 10% van de geconsolideerde omzet van L&H in dat boekjaar. De 28 nevenbedrijven uit 1999 staan in voor een kwart van de groepsomzet, maar het is Korea dat alles slaat en tot de helft van de omzet boekt in de eerste helft van 2000.

'Vaak werd op het einde van het kwartaal vastgesteld dat nog een gedeelte van de omzet ontbrak om de vooropgestelde doelstellingen te halen. Men werd dan plots geconfronteerd met een circuit van andere contracten waarover niet onderhandeld moest worden. De licentienemers waren blijkbaar bereid om de licentie af te sluiten en te betalen zonder veel onderhandelingen, zoals de LDC-contracten', citeert het OM een e-mail van een lid van het juridisch departement van L&H.

Het zijn Jo Lernout, Pol Hauspie en Nico Willaert die het taalbedrijvensysteem overzien en lanceren. Dat laatste gebeurde aan een hoge snelheid. Ze zeggen dat ze zich lieten opjagen door Bastiaens, die volgens het parket 'bezeten was van de koers van het aandeel LHSP en bijgevolg van het boeken van omzet'. Daar waar Bastiaens voor de taalbedrijven als zweep fungeert en de drie stichters als architect, facilitator en co-financier, is Bastiaens in Korea medearchitect.

Doordat het zoeken van investeerders voor de nevenbedrijven moeizaam verloopt, wordt de rol van L&H en diens stichters steeds groter. Het parket lijkt ervan uit te gaan dat het nooit de bedoeling is geweest van de stichters om enige wettelijkheid na te streven met de nevenbedrijven. Het ging van meet af aan om een frauduleus concept: stichters zochten stromannen om eenzijdige contracten te ondertekenen, voerden onderhandelingen met nepinvesteerders en zetten mee systemen van autofinanciering op.

In de praktijk is vooral sprake van financiële investeerders, zoals Radial Belgium - de groep rond Frans van Deun, een oudgediende uit de BTG-periode, en Stephan Bodemkamp - en LIC, de groep rond Willem Hardeman, een bekend verzekeringsmakelaar uit Poperinge.

Van Deun is enkel betrokken bij de eerste 7 nevenbedrijven. Bij de volgende 25 speelt Tony Snauwaert de rol van de meer kneedbare coördinator die uitvoert wat Nico Willaert hem opdraagt, in ruil voor mooie beheersvergoedingen. Artesia Bank treedt op als gewillig financier en verstrekt een krediet aan Radial en LIC met een betwiste borgstelling door de stichters. KPMG is een al even gewillige commissaris-revisor.

Het trio gaat ook een persoonlijk krediet van 20 miljoen dollar aan bij Artesia. Mercator & Noordstar hoest 12 miljoen dollar op. Khatchadourian 36 miljoen. Nog eens 30 miljoen dollar wordt geïnvesteerd door de Koreaan John Seo (ceo van L&H Korea) via een verdachte constructie via uitbetaling van een speciale bonus.