Een hip bijgeloof

Toen de communisten in China aan de macht kwamen, schaften ze meteen het 'bijgeloof' feng shui af, waarmee Chinezen al zevenduizend jaar de gunstigste ligging voor paleizen, graven of dorpen bepaalden. Feng shui (spreek uit: 'fung', met de 'u' van 'het'; en 'sjwee') betekent letterlijk 'wind en water'. Het astrologische ritueel ging gaandeweg met alle natuurverschijnselen rekening houden. Uitzicht op water brengt voorspoed - om die reden vindt u zoveel aquaria in Chinese bedrijven - maar scherpe hoeken symboliseren messen en brengen slechte energie. In banyanbomen wonen goede geesten, en je bouwt niet 'op een drakenstaart' - vandaag zeggen we 'op een breuklijn'.

Westerlingen in China hadden daar weinig begrip voor, soms tot hun schade. Onvrede over de treinsporen die ze aanlegden, was één van de aanleidingen voor de Bokseropstand van 1899.



In Hongkong werken ...