De notionele-interestaftrek wordt gebruikt om fiscaal het onderste uit de kan te halen.

De notionele-interestaftrek. Het woord uitspreken is al een hele opgave, laat staan begrijpen hoe het systeem werkt. Het is nochtans het fiscale paradepaardje van de aflopende paarse regering en houdt ons land, als we fiscalisten mogen geloven, fiscaal concurrentieel met de buurlanden. De vennootschapsbelasting bedraagt in ons land nog altijd 33,99 procent. Dat is veel tegenover bijvoorbeeld Nederland waar een tarief van 25procent geldt. Duitsland gaat volgend jaar naar 15procent.

1. De basis

Met de notionele-interestaftrek slaat de regering eigenlijk twee vliegen in één klap. De fiscale druk op de vennootschappen wordt een flink stuk verlaagd en vennootschappen worden niet langer gestraft als ze hun activiteiten financieren met eigen middelen in plaats van met geleend geld.

Het is altijd zo geweest dat vennootschappen de interesten die ze betalen op hun leningen van hun inkomsten mochten aftrekken. Daardoor daalt het bedrag waarop belastingen moeten betaald worden.

Sinds 2006, het jaar van de invoering van de notionele-interestaftrek, kan een vennootschap ook een interest aftrekken voor de eigen middelen die in de vennootschap gestopt worden. Voor die eigen middelen moet geen interest betaald worden. Daarom wordt een fictieve interest berekend op het eigen vermogen. Ook die interest kan voortaan van de inkomsten afgetrokken worden. Voor de inkomsten van 2007 bedraagt die interest 3,781 procent. Kleine vennootschappen krijgen daar nog 0,5 procent bovenop.

2. Double dip

Maar via fiscale spitstechnologie zijn er groepen die tweemaal langs de kassa passeren. De moedermaatschappij (A) leent een flinke som geld om een dochteronderneming (B) van kapitaal te voorzien zodat die kan genieten van de notionele-interestaftrek. De dochtermaatschappij functioneert als een soort coördinatiecentrum en kent op haar beurt leningen toe aan andere vennootschappen (C) uit de groep die daarop interest betalen aan de dochtervennootschap (B).

Alle vennootschappen uit de groep varen wel bij die constructie. De moedermaatschappij (A) en de andere vennootschappen (C) kunnen de interest op de leningen aftrekken van de winst die in de vennootschap blijft. Normaal gezien zou de interest die de dochtervennootschap (B) ontvangt belast worden, maar door toepassing van de notionele-interestaftrek valt die belasting (deels) weg.

De fiscale wetgeving kent wel een zogenaamde antimisbruikbepaling. Daarin staat dat de fiscus fiscale constructies mag verwerpen als ze enkel op poten gezet zijn voor fiscale redenen, maar geen economische fundering hebben. De rulingcommissie heeft al laten weten dat wat de dochtervennootschap (B) doet geen probleem is, maar heeft daarbij niet de hele constructie bestudeerd.

Het is trouwens zo dat de notionele-interestaftrek onder meer in het leven is geroepen om de coördinatiecentra in ons land te houden.

3. Vermogensplanning

De notionele-interestaftrek kan ook perfect gebruikt worden voor vermogensplanning. Een familie kan zijn vermogen inbrengen in een nieuwe vennootschap. Dat levert die vennootschap een mooi eigen vermogen op waarop de notionele interest wordt toegepast. Die interest wordt dan afgezet tegen de inkomsten die uit het vermogen voortspruiten.

4. Schuiven met bedrijven

Heel wat bedrijvengroepen zijn overgegaan of gaan over tot een herschikking van hun activiteiten om optimaal gebruik te kunnen maken van de notionele-interestaftrek. Want het is zo dat het eigen vermogen niet altijd recht geeft op een notionele-interestaftrek. Van het eigen vermogen moeten bijvoorbeeld de financiële vaste activa afgetrokken worden. Dat gaat dan om duurzame deelnemingen die de vennootschap heeft in andere vennootschappen. Daardoor kan het zijn dat een vennootschap onvoldoende eigen vermogen overhoudt om via de notionele-interestaftrek af te zetten tegen de winst.

Stel: een groep heeft tien vennootschappen waarin er zeven in aanmerking komen voor de notionele-interestaftrek. De andere drie vallen buiten de boot om bovengenoemde reden. Door te sleutelen aan de groepsstructuur en te schuiven met de financiële vaste activa kan het mogelijk worden om uiteindelijk slechts één van de tien vennootschappen uit te sluiten van de notionele-interestaftrek, wat op het einde van de rit voor de hele groep het interessantst is.

5. Financiële instellingen

Financiële instellingen hebben wel eens te maken met het probleem dat het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de notionele interest, sterk verminderd wordt door de financiële vaste activa die ze bezitten. Banken en verzekeringsmaatschappijen zijn immers dag in dat uit bezig met herbeleggen van de premies en gelden van hun klanten. Sommige daarin zullen bijvoorbeeld belegd worden in financiële vaste activa, andere in bijvoorbeeld obligaties.

Die aanwezigheid van de financiële vaste activa vermindert het eigen vermogen waarvoor de notionele-interestaftrek geldt, en beperkt dan ook de mogelijkheid om die interest in mindering te brengen op de winst die wordt gemaakt op die financiële vaste activa, maar ook op die obligaties.

Dat probleem kan opgelost worden door die obligaties in een aparte vennootschap te stoppen en die te voorzien van voldoend kapitaal dat zodat via de notionele interestaftrek de winst op die obligaties helemaal weggevaagd wordt.

6. Eindeloos...

De fiscale constructies die de belastingspecialisten binnen de wettelijke contouren uit hun mouw kunnen schudden zijn zo goed als eindeloos. Zolang ze economisch onderbouwd zijn mag dat normaal geen probleem zijn. Maar dat is nu eenmaal een vaag begrip, en de vraag is nog maar of ze allemaal door de fiscus aanvaard zullen worden.

Jaren geleden leek de creativiteit om van de Forfaitaire Buitenlandse Belasting (FBB) gebruik te maken schier oneindig. Heel wat vennootschappen hebben daar toen een fiscale kater aan overgehouden. Sindsdien kunnen de vennootschappen een voorafgaande ruling aanvragen, iets wat de grote vennootschappen hoogstwaarschijnlijk doen. (cv)