Wetgever komt gemeenten te hulp
Foto: © ivan put
Na de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 heeft een groot aantal gemeenten -88 in Vlaanderen, 112 in Wallonië- de aanvullende gemeentebelastingen op de personenbelasting te laat goedgekeurd. In een arrest van 14maart 2008 geeft het Hof van Cassatie de nalatige gemeenten definitief ongelijk. Regering en parlement nemen nu maatregelen om een financiële catastrofe voor de betrokken gemeentebesturen te vermijden.

Het staat nu wel vast dat volgens de huidige wetgeving de aanvullende gemeentebelastingen op de personenbelasting moeten worden goedgekeurd voor 1januari van het aanslagjaar waarop ze betrekking hebben. Voor het aanslagjaar volgend op een verkiezingsjaar betekent dit dat de 'oude' meerderheid, die in functie blijft tot 31december, de belastingen moet goedkeuren waarmee de nieuwe meerderheid, die op 1januari aantreedt, moet werken.

Dat dit een absurde toestand is, staat buiten kijf. Daarom stelt een aantal parlementsleden voor om de gemeenten bij wet toe te laten om op een latere datum, tot 31januari, hun aanvullende gemeentebelastingen vast te stellen.

Dat lost echter het probleem voor het verleden niet op. Zowel de regering als de bedoelde parlementsleden stellen voor om de aanvullende gemeentebelastingen van het verleden bij wet te bekrachtigen. Dergelijke wet zou onmiskenbaar een terugwerkende kracht hebben. Het Grondwettelijk Hof houdt niet van wetten met terugwerkende kracht, behalve in uitzonderlijke situaties.

De indieners van het voorstel argumenteren dat er in dit geval wel degelijk sprake is van een uitzonderlijke situatie: ze menen immers dat de nalatige gemeenten door niemand minder dan het Hof van Cassatie op het verkeerde been zijn gezet. Uit oudere cassatiearresten zou immers afgeleid kunnen worden dat de fiscale toestand van de belastingbetaler nog veranderd kan worden zolang het aanslagjaar, zijnde het jaar volgend op het inkomstenjaar, niet voorbij is.

Zou het echter kunnen dat de gemeenten in kwestie de betrokken cassatiearresten verkeerd gelezen hebben? Het eerste arrest dat meestal ingeroepen wordt, is er een van 29juni 1998. Dat arrest had betrekking op de inwerkingtreding van de wet van 7december 1988. Die wet, die een aanpassing van de investeringsaftrek invoerde, werd ook toegepast op investeringen gedaan vóór de wet was aangenomen, maar wel in een (verlengd) boekjaar dat afsloot op 31december 1989, dus nadat de wet was goedgekeurd, en dat belast werd voor het aanslagjaar 1990. Het Hof van Cassatie stelde dan ook terecht dat de nieuwe wet ook gold voor de toekomstige gevolgen van bestaande situaties die voortduren onder de nieuwe wet.

Ook het cassatiearrest van 8juni 2006, dat betrekking had op een provinciale directe belasting die in de loop van het dienstjaar werd ingevoerd, is zo'n speciaal geval. Het ging immers om een belasting op nijverheids-, handels-, landbouw- en andere bedrijven. Die belasting, goedgekeurd op 23oktober 1996, werd bekendgemaakt op 23januari 1997 en was verschuldigd door alle bedrijven die in de provincie actief waren op 1januari 1997.

Dat bracht het Hof van Cassatie ertoe om te stellen dat geen enkele wet de provincie verbiedt om een belasting te heffen op feiten die zich hebben voorgedaan voor de inwerkingtreding van het reglement, maar in de loop van het dienstjaar waarvoor die belastingen werden aangenomen. In dat geval was de onderneming alleszins actief in het jaar 1997.

De inkomstenbelastingen zijn echter heel andere koek. De inkomsten en uitgaven die het belastbaar resultaat bepalen, hebben zich immers allemaal in het voorgaande jaar voorgedaan en dat is op 31december definitief afgesloten. Die situatie is niet vergelijkbaar met de feiten die aan de basis lagen van de cassatiearresten die de nalatige gemeenten zouden hebben misleid.

Luc Vanheeswijck is advocaat bij Dumon, Sablon& Vanheeswijck.

www.standaard.biz/fiscalekroniek