Het was niet zonder ironische glimlach, dat de universiteiten van Gent en Brussel (ULB) afgelopen vrijdag hun vijfjaarlijkse journalistenenquête voorstelden. Niet minder dan 85% van de ondervraagde Belgische journalisten antwoordt daarin bevestigend op de stelling: ‘De sensationalisering van het nieuws is de voorbije vijf jaar toegenomen.’ ‘Als wij dat zeggen, dan is de reactie uit de sector altijd bijzonder afwijzend, op het agressieve af’, zegt professor Karin Raeymaeckers, die het onderzoek leidde. ‘Maar kijk: de journalisten zeggen het zelf.’

Het is sinds 2003 de derde keer dat het Center for Journalism Studies van de Universiteit Gent een grootschalige bevraging organiseert van de Vlaamse beroepsjournalisten, en journalisten van beroep. (Voor het verschil tussen die twee: zie later.) Er wordt daarin onder meer gepeild naar hun sociodemografisch profiel (hoe oud is de gemiddelde journalist, is die man of vrouw, gehuwd of alleenstaand, hoogopgeleid of niet, stemt hij links of rechts…?), hun werkvoorwaarden, hun houding in deontologische vraagstukken, en ook hun ‘opvattingen over recente trends in de journalistiek.’

Die laatste vragen leveren enkele opmerkelijke resultaten op. (Geen nood: over de andere, en dan met name over de politieke voorkeur, schrijf ik een volgend stuk.) Op de stelling ‘de sensationalisering van het nieuws is de voorbije vijf jaar toegenomen’ antwoordt 36% van de Belgische journalisten ‘helemaal akkoord’, en 49% ‘akkoord’. Een totaal van 85%.

Ongeveer hetzelfde resultaat zien we bij de stelling ‘in de mainstream media is er nog amper ruimte voor diepgravende onderzoeksjournalistiek’: 82% is het daarmee eens. (36% is helemaal akkoord, 46% gewoon akkoord.)

‘Het gebruik van kant-en-klaar aangeleverd nieuws neemt toe’: 17% helemaal akkoord, 47% akkoord. (Een totaal van 64%)

63% vindt nog dat de media ‘te veel’ aandacht besteden aan soft nieuws, 56% vindt dat de globale kwaliteit van de journalistieke berichtgeving aan het dalen is, en 55% dat ‘de media’ almaar minder aandacht besteden aan buitenlandberichtgeving.

 

 

Dat zijn straffe cijfers.

En ze kunnen slechts in beperkte mate gerelativeerd worden. Het is de eerste keer dat de journalistenenquête ook Franstalige journalisten bevraagt. Het blijkt nu dat zij een pak pessimistischer zijn dan hun Vlaamse collega’s. 90% van de Franstaligen ziet de sensationalisering toenemen, tegenover ‘slechts’ 79% van de Vlamingen. 88% van de Franstaligen ziet nauwelijks nog ruimte voor onderzoeksjournalistiek, tegenover 75% van de Vlamingen. Kijken we naar de vraag over de globale kwaliteit van het nieuws, dan is het verschil het grootst: 71% van de Franstaligen ziet die dalen, tegenover 42% van de Vlamingen.

Vergelijken we met de vorige journalistenenquête, uit 2008 (die enkel bij Vlamingen werd uitgevoerd), dan zien we bovendien een verbetering. De studie schrijft: ‘Zo is het aantal Vlaamse beroepsjournalisten dat (helemaal) akkoord gaat met de stelling dat de media te veel aandacht besteden aan soft news gedaald van 66% naar 58% in vergelijking met de data uit 2008. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de sensationalisering van het nieuws de voorbije vijf jaar is toegenomen (van 83% naar 79%) en voor de stelling dat de globale kwaliteit van de journalistieke berichtgeving aan het dalen is (van 46% naar 40%).'

Tot slot zijn ook de journalisten van beroep pessimistischer dan de beroepsjournalisten. Het verschil? Een ‘beroepsjournalist’ werkt in hoofdberoep voor een medium dat ‘algemene berichtgeving’ verstrekt. Dat zijn dus de journalisten van de kranten, weekbladen als Knack en Humo, of televisienieuwsdiensten. Een ‘journalist van beroep’ werkt voor een vakblad.

Tot zover de relativering. Maar het blijven indrukwekkende cijfers.

Vraag is natuurlijk of de perceptie klopt. Het komt bijna belachelijk, om niet te zeggen negationistisch over om die vraag nog te stellen, als niet alleen politici, onderzoekers en ‘de man in de straat’, maar nu ook de journalisten zelf aangeven dat in hun ervaring die kwaliteit inderdaad fors daalt.

En toch blijf ik erover dubben. ‘Sensationalisering’ is een moeilijk objectiveerbaar begrip. Zelf begrijp ik eronder: een overmatige aandacht voor het persoonlijke, het emotionele, het dramatische en het anekdotische, die het essentiële en het noodzakelijke van de voorgrond drukt. Ik begrijp er zelfs onder: het vertekenen van de werkelijkheid, om ze spectaculairder, en dus nieuwswaardiger, te doen lijken dan ze is. Zeker als zo’n grote groep collega’s een evolutie naar méér van dat soort berichtgeving over een periode van vijf jaar heeft zien gebeuren – en dus niet over een periode van pakweg twintig of dertig jaar, wat mij zelf waarschijnlijker lijkt – dan denk ik: zou het nu echt zo zijn, als ik de voorpagina’s van De Standaard van 2008 ga vergelijken met de voorpagina’s van diezelfde krant in 2013, en ik ga turven hoe dikwijls het daar over de 'klassieke thema’s voor een kwaliteitskrant’ gaat (politiek, economie, buitenland, studies die maatschappelijke tendenzen weergeven), en hoe vaak over ‘sensationele verhalen’ (ongevallen, misdaden, dramatisch voorgestelde anekdotes), dat ik daar een significant verschil tussen zou vaststellen?

Ik neem me voor om de oefening een dezer te doen.

Maar zelfs al mocht dat niet zo zijn (nog steeds mijn hypothese), dan nog blijven deze cijfers meer dan relevant. Professor Karin Raeymaeckers, directeur van het Center for Journalism Studies dat de studie uitvoerde, merkte bij de voorstelling tussen neus en lippen op dat ‘de sector doorgaans bijzonder boos reageert als wij een opmerking maken over sensationalisering. Uit deze cijfers blijkt dat de journalisten het in grote meerderheid met ons eens zijn.’

Dat klopt. De overtuiging, die met name vaak uit de mond van hoofdredacteurs te horen is, dat ‘de kwaliteit van het nieuws in Vlaanderen nog nooit zo hoog geweest is als vandaag’ (wat zowel zou kunnen kloppen als niet kloppen, dat is nog nooit onderzocht), wordt niet gedeeld door een meerderheid van de Belgische journalisten.

Dat is een feit om rekening mee te houden.


De enquête werd gestuurd naar 4913 Belgische journalisten (2622 Vlaamse en 2291 Franstalige). 1640 daarvan beantwoordden de vragen (866 Vlaamse en 774 Franstalige), een responsgraad van 33,4%. De enquête zelf vindt u hier.

Aanvulling 1 (22/10/2013): Dat ‘sensationalisering’ moeilijk objectiveerbaar is, werd meteen aangetoond door een aantal reacties op bovenstaand stuk, van collega’s-journalisten. Frank Willemse, een freelance journalist die voornamelijk voor Het Laatste Nieuws werkt, schreef op de Facebookpagina van deze ombudsman: ‘Nieuws is van nature sensationeel, anders is het geen nieuws. Dan is het gewoon een bericht of een mededeling.’

Het is een zeer brede definitie van ‘sensatie’, die niet de mogelijkheid biedt om het onderscheid te maken tussen sensationeel en niet-sensationeel nieuws, en die ook geen verklaring biedt voor de evolutie die journalisten menen waar te nemen. Maar er zit wel een grond van waarheid in: een gebeurtenis komt in het nieuws omdat ze opvalt, afwijkt van het gewone, een snaar raakt bij lezers – een zekere mate van sensationalisering is dus eigen aan het nieuws. Wie het begrip wil definiëren, en op betrouwbare gronden wil onderzoeken of er werkelijk een evolutie heeft plaatsgevonden, zal dus een lijn moeten trekken tussen ‘normaal sensationeel’ en ‘overdreven sensationeel’.

Filip Rogiers, reportagemaker voor DS Weekblad en een van de minst sensatiebeluste journalisten die ik ken, opperde (op Twitter) de mogelijkheid dat misschien niet alleen het nieuws, maar de werkelijkheid zélf sensationeler geworden was. Als voorbeelden gaf hij: ‘klimaat, aanslagen, klapbanken’.

Het leidt geen twijfel dat er de afgelopen jaren enkele gebeurtenissen en evoluties in het nieuws zaten, die in en uit zichzelf spectaculair en ongezien waren – de bankencrisis en de daaruit voortvloeiende economische recessie, de opstanden in Tunesië en Egypte, de burgeroorlogen in Libië en Syrië, de kernramp in Fukushima, en verder terug in de tijd een aantal grote terroristische aanslagen,… Maar zou het echt zo zijn dat er in de decennia voordien minder gebeurtenissen van dit type voorkwamen? Mij lijkt dat sterk. Bovendien – maar daar komen we dus opnieuw terecht bij dat moeilijk objectiveerbare – lijkt het mij onwaarschijnlijk dat de bevraagde journalisten in de enquête aan de bankencrisis dachten, toen ze zeiden dat het nieuws volgens hen sensationeler geworden was. ‘Sensatie’, in mijn definitie, gaat net over futiliteiten, die tot nieuws worden opgeblazen. Maar ik geef toe: het is mijn persoonlijke definitie, en niets zegt dat de grootste financiële en economische crisis in een eeuw niet het recht heeft om als ‘sensationeel’ te worden bestempeld.

Joël De Ceulaer ten slotte, voormalig redacteur van De Standaard en sinds kort terug bij Knack, merkte (ook op Twitter) op dat de test die ik hierboven voorstel om te meten of er werkelijk een evolutie is geweest – de onderwerpen op de voorpagina’s van 2008 en die van 2013 classificeren volgens thema – niet voldoet, want ‘sensationalisering raakt ook de ‘klassieke thema’s’, dat kan een ombudsman niet ontgaan.’

Daar heeft hij gelijk in. ‘Sensationalisering’ gaat over twee aparte zaken: enerzijds de keuze voor bepaalde nieuwsverhalen (bv: minder buitenland, politiek of economie, meer misdaad en ongevallen), en anderzijds de manier waarop die verhalen worden gepresenteerd (schreeuweriger, emotioneler, met meer expliciete foto’s of met meer dramatische titels…). Mijn test zou enkel het eerste tellen. Omdat dat het gemakkelijkste is natuurlijk – met het tweede komen we andermaal terecht bij het probleem dat ik hierboven beschreef: hoe meet je ‘schreeuwerigheid’?

Een mooi voorbeeld is de voorpagina van de papieren krant van vandaag, en dan met name het tweede stuk, in het midden van de pagina, onder de kop ‘Penis is jonger dan de man’.

 

Is dit een sensationeel stuk? Het onderwerp zelf is dat in ieder geval niet. Geneticus Steve Horvath heeft een manier gevonden om de biologische leeftijd van menselijke cellen vast te stellen. Die wijkt af van de biologische leeftijd van de persoon zelf. Horvath deed zijn onderzoek ‘aan de hand van de aanwezigheid van zogeheten methylgroepen op het DNA.’

Geen enkel stuk met het woord ‘methylgroepen’ in kan sensationeel zijn. :-) Dit is een ernstig stuk, over een wetenschappelijk onderwerp, dat verschenen is op de wetenschapspagina’s, en aangekondigd werd op de voorpagina. Mijn test zou het classificeren als ‘klassiek thema dat thuishoort in een kwaliteitskrant’.

Maar het verschijnt wel onder een kop met ‘penis’ in. Penissen doen denken aan seks, en seks doet denken aan sensatie. De kop van het artikel binnenin, op de wetenschapspagina’s dus, luidt: ‘De borsten zijn ouder dan de vrouw’. Ook borsten doen denken aan seks, en seks aan sensatie.

Bovendien 1. De penis en de borsten zijn niet de organen waarvan de leeftijd het sterkst verschilt van de biologische leeftijd van de testpersoon zelf: de nieren, bijvoorbeeld, waren achttien jaar jonger dan de man (53 jaar, voor een testpersoon van 71 jaar). De penis ‘slechts’ dertien jaar.

Bovendien 2. Het onderzoek is weliswaar gebaseerd op 8000 ‘methyleringsanalyses van andere onderzoekers’, die in totaal ’51 gezonde weefsels en celtypen’ omvatten, maar ik lees ook dat Horvath in zijn onderzoek ‘slechts drie personen heeft kunnen vinden waarvan de methylering van de verschillende organen bepaald was, twee mannen en een vrouw.’ De twee koppen – de ene over de penis, de andere over de borsten – zijn dus net gebaseerd op het minst zekere onderdeel van het onderzoek.

Ik herhaal dus mijn vraag: is er hier sprake van sensationalisering?

Of zullen we de vraag omkeren? Zou u een stuk lezen over een nieuwe methode om de veroudering van menselijke cellen vast te stellen, als het u werd gepresenteerd onder de kop: ‘De nier is jonger dan de man?’

Of, nog eerlijker, onder de kop: ‘Nieuw statistisch programma levert “betrouwbare verouderingsklok”, volgens onderzoeker, van menselijke cellen’?

Is ‘sensationalisering’, zo bekeken, toegepast op dit ene onderwerp, dan geen legitieme techniek om een publiek, dat steeds meer overdonderd wordt met informatie, aan te zetten een moeilijk maar leerrijk stuk toch maar uit te lezen?

Ik ben er nog niet uit.

Wat denkt u?