Twaalf maanden is Tom Naegels nu ombudsman van De Standaard. Het was een bewogen jaar, met talloze nieuwscontroverses, van de Leterme-sms'jes over Sierre en Pol Van Den Driessche en Jos Ghysen tot de Lieten-mail. Een jaar ook waarin de lezers van De Standaard luid en vaak van zich hebben laten horen: 730 keer, om precies te zijn. De ombudsman evalueert het jaar, en zichzelf.

Oké, eentje dan.

Onlangs klaagde er een lezer omdat hij vlooien zou hebben gekregen van deze krant. Papiervlooien, die hij later op zijn hoofd aantrof. Ik antwoordde hem dat vlooien buiten mijn bevoegdheid vallen; ik oordeel alleen over journalistiek. Waarna hij dreigde met vervolging.

Dus ja, het gebeurt dat ik met de ogen rol vanwege de hatelijke toon – dat te gretig geëtaleerde, triomfantelijke misprijzen – of de absurditeit van een klacht. Maar veel minder dan velen lijken te denken. Dat leid ik af uit de vraag die ik krijg als ik vertel dat ik ombudsman ben bij deze krant: ‘Word je niet zot van al die negativiteit?’ Ze staat op de tweede plaats, na: ‘En word je daar nog niet gelyncht?’

Nee, en nee. De overgrote meerderheid van de vragen, opmerkingen en klachten die lezers me sturen, gaan over relevante thema’s. Soms zou het fijn zijn indien de toon wat gematigder was, dat klopt – ik beantwoord heus ook mails die niét eindigen op ‘De vis stinkt aan de kop!’. Maar dat is eigenaan de job: mensen die een ombudsman contacteren, zijn nu eenmaal boos. En wat de redactie betreft: ik heb één keer een hoogoplopende discussie gehad met een redacteur – onder meer omdat hij ervan overtuigd was dat ik me voor de kar liet spannen van ideologisch geïnspireerde tegenstanders.

Eén keer ook was het contact met de hoofdredactie kil. Maar al bij al moet ik zeggen dat de openheid groot was. Alle journalisten die ik het afgelopen jaar heb gecontacteerd (zelfs die van concurrerende titels, wat ik voor onmogelijk had gehouden), hebben mijn vragen beantwoord, en waren bereid om in discussie te gaan over wat er mogelijk misgelopen was. Misschien omdat ik mijn best doe om mijn mails aan hen niét te eindigen met ‘De vis stinkt aan de kop!’.

Er hebben, denk ik, betrekkelijk veel lezers hun weg naar de ombudsman gevonden. Ik heb 730 unieke klachten, vragen en opmerkingen ontvangen, en nog enkele tientallen via Twitter en Facebook. 34 daarvan staan nog ‘in wacht’. Da’s het eerste punt van zelfkritiek: dat ik niet alle lezers heb kunnen antwoorden, en een groot aantal later dan redelijk is. De reden daarvoor is simpel: de meeste vragen vergen vrij veel onderzoek, en dat kost tijd.

De meeste klachten handelden over vooringenomenheid en ‘sturing’ (tegen de Vlaamse zaak en haar politieke vleugel, tegen Wilders, tegen de Republikeinen, tegen de vakbonden, tegen de banken, tegen christenen, tegen joden, tegen moslims...), over het ‘pimpen’ van verhalen (door ze in de kop straffer voor te stellen dan ze zijn), over de lichtere onderwerpen in dSMagazine en op De Standaard Online (hoewel die laatste het nu veel beter doet dan toen ik begon), over feitelijke fouten, over gebrek aan inzicht in gespecialiseerde materies (vooral juridische, wiskundige en technische), en over de toegang tot het forum. Ik heb niet geregistreerd hoeveel van die klachten ik terecht heb geacht. (Tweede punt van zelfkritiek.) Een ruwe schatting: tussen de 10 en de 20 procent.

Dat forum – daar zou ik mijn analyse willen starten. Eerlijk gezegd: in het begin heb ik het ellendige ding vervloekt. Het kinderachtige gekissebis dat het uitlokte! ‘Waarom heeft Jan S. uit K. al tien reacties mogen posten en wacht ik nog altijd op mijn eerste? Ik krijg mijn meningen sneller gepost op Le Soir!’ Het navelstaarderige ook. Je zou toch verwachten dat lezers van De Standaard zo’n forum gebruiken om, gebaseerd op hun expertise, inhoudelijke aanvullingen te leveren die relevant zijn voor een breed publiek, ook voor hen die niet mee debatteren? Waarom schrijven die mensen dan enkel voor zichzelf en hun onmiddellijke tegenstander?

Pas gaandeweg ging ik begrijpen hoe belangrijk lezers het vinden om daar te kunnen deelnemen. En hoe wantrouwig ze staan tegenover de ‘macht van de moderator’. Mettertijd ben ik de klachten over het forum serieuzer gaan nemen. Ik ben ze gaan zien als het geconcentreerde bezinksel van wat ‘het wantrouwen in de pers’ is gaan heten – het wantrouwen tegen een elite die ‘bepaalt wat wij wel of niet mogen weten’; een elite die het publieke forum controleert, en dat aan de gewone man ontzegt. Ik vind nog altijd dat fora als middel tot lezersparticipatie mislukt zijn – maar het is een interessante mislukking, die iets blootlegt over de verhouding tot het nieuws.

Je zou kunnen zeggen dat die verhouding ‘populistisch’ is: de geëmancipeerde burger die de autoriteit en de expertise van het instituut in vraag stelt, geen filters of poortwachters meer nodig heeft, en die evenveel recht meent te hebben om zijn mening in De Standaard te zien verschijnen als Marc Reynebeau, Tom Naegels of Bart De Wever.

Het woord ‘populisme’ heeft een negatieve bijklank, maar zo bedoel ik het niet. Net als in de politiek is het enkel kwalijk in zijn radicale vorm, als het een karikatuur wordt van hoon en polarisering. Vele intelligente opmerkingen en bezwaren die ik het afgelopen jaar heb behandeld, komen voort uit dezelfde grondgedachte: het is niet aan jullie, redactie, om te kiezen wat jullie wél vertellen en wat niet, of om een verhaal zo te framen dat er zich een conclusie opdringt – geef me de ruwe feiten en ik beslis zelf wel.

Zo heb ik bijzonder boeiende discussies gevoerd met een juriste, die meende dat de berichtgeving over de Pukkelpop-storm véél te sterk in de kaart speelde van de Pukkelpop-organisatie. Juridisch gezien moest die immers alle tickets terugbetalen, dat was volgens haar zo klaar als een klontje. Door dat niet te schrijven, en door te focussen op het sociaalculturele belang van Pukkelpop, de tragiek van de overledenen en de ‘grote familie van Pukkelpoppers’ die het festival wilde laten voortbestaan, surfte de krant mee op de dominante golf in de publieke opinie, waardoor ze lezers in een bepaalde richting stuurde.

Ik heb haar claims gecheckt bij twee professoren in de rechten, en ik denk dat ze gelijk had. Derde punt van zelfkritiek: dat ik dat nooit geschreven heb.

Er zijn meer lezers die terecht menen dat de krant te makkelijk voor een sturende invalshoek kiest, meestal die van ‘de publieke opinie’ of een prominente grondstroom. Het is mogelijk te schrijven over de paus zonder per se zijn standpunt over condooms en het homohuwelijk te vermelden. Het is mogelijk te schrijven over moslims zonder het over de sharia te hebben. Het is mogelijk over de Republikeinen te schrijven zonder te focussen op wapens, racisme, een malle christelijkheid en rare versprekingen. En ik denk dat het klopt dat er in de columns in deze krant – vooral in de columns – bij momenten een obsessie bestaat met de N-VA, zoals die vroeger bestond met het Vlaams Blok, wat unfair kan overkomen.

Het zal geen makkelijke oefening zijn – frames dringen zich vaak onbewust op, en het is ook moeilijk vertellen zonder frame – maar ik denk dat de redactie zich vaker moet afvragen of ze niet in de plaats van de lezer aan het denken is.

Tegelijk is het goed als ook de ‘populistische’ lezer zich bewust is van de eigen vooringenomenheid. Bias speelt aan beide kanten. En ook van belang is de tegenreactie: lezers die verwachten dat de krant net meer selecteert, en haar traditionele rol als poortwachter ten volle uitspeelt. Het ‘wie zijn jullie om voor mij te beslissen dat de torenseks van Ilse Uyttersprot niet politiek relevant is?’ staat dan tegenover het ‘dit is een kwaliteitskrant onwaardig!’. De twee opdrachten zijn niet noodzakelijk tegengesteld aan elkaar. Uitdaging is goed te weten wanneer een krant het populistische paradigma moet volgen, en wanneer het traditionalistische de beste journalistiek oplevert.

Al begrijpt u nu weer waarom ik zo tergend enerzijds-anderzijds ben. Sommige lezers verwijten me dat. Ik vind dat ik niet anders kan. Radicaal is voor columnisten.

Ik heb de afgelopen twaalf maanden niet enkel over De Standaard gediscussieerd. Het is ook een jaar geweest met grote mediacontroverses, die individuele titels overstegen. De sms’jes van Leterme, de busramp in Sierre, Pol Van Den Driessche en Jos Ghysen, de ‘dictator’-mail van Lieten... En er waren kleinere debatjes over de te snelle berichtgeving over het dodental op Pukkelpop, of de almaar groeiende mediadruk tijdens grote processen, zoals dat van Ronald Janssen.

Er zat een lijn in de ‘grote zaken’. Ze gingen over de impact van berichtgeving op de personen die in het nieuws komen – de spanning tussen het maatschappelijk belang en het respect voor de direct betrokkenen (hun privacy, hun verdriet, hun goede naam...). Velen hebben het gevoel dat de balans zoek is, dat mensen echt ten prooi kunnen vallen aan het nieuws, en dat de aanleiding daarvoor steeds kleiner wordt (het is voldoende dat iemand in een tv-programma wil getuigen, een gekrenkte minnares haar gsm bovenhaalt, of een politieke tegenstander even spint).

Minstens even belangrijk is de kopieerdrang van alle titels – de eindeloze herhaling van hetzelfde nieuws. Die kan van mild-problematische berichtgeving een journalistieke ramp maken. Had er één journalist van één krant gebeld naar één ouderpaar dat in Sierre een kind verloor, dan had dat een zeer menselijk en mooi interview opgeleverd. Maar tientallen journo’s, uit binnen- en buitenland, creëren een onhoudbare druk. Eén website die zich door een bron laat ringeloren over de inhoud van een ministeriële mail, da’s pijnlijk maar kan gebeuren – maar als die fout gereproduceerd wordt op talloze voorpagina’s en nieuwsuitzendingen, een ganse dag of langer, dan is de schade buitenproportioneel.

Het is een proces dat ik in mijn stukken als ombudsman niet altijd correct heb ingeschat – da’s een vierde punt van zelfkritiek, en een fundamenteel. Ik heb, zoals de meeste journalisten, te sterk gecompartimenteerd: kwam het nieuws van een andere titel, dan accepteerde ik dat het voor De Standaard onvermijdelijk was om het over te nemen, terwijl ik tegelijk accepteerde dat de titel die het verhaal lanceerde, alleen verantwoordelijk was voor de eigen berichtgeving. Knack mag dan een fout hebben begaan door te schrijven dat Ingrid Lieten Kris Peeters een ‘dictator’ had genoemd, maar Knack is alleen verantwoordelijk voor die ene fout op haar website, terwijl De Standaard nu eenmaal niet anders kon dan dat verhaal overnemen, want Knack had het tot ‘nieuws’ gemaakt.

Er zit een duidelijke denkfout in die redenering. Zonder die ‘dictator’ was dat verhaal nooit zo groot opgepikt – die ene fout van een individueel medium had dus gevolgen voor het collectief, wat de verantwoordelijkheid groter maakt. Maar dat collectief, De Standaard en alle anderen, was niet verplicht om het over te nemen. Het is een idee-fixe dat men niet anders kan.

Wat misgaat, is dat er een soort prisoner’s dilemma ontstaat: iedere redactie apart zou graag op een eigen manier omgaan met het nieuws (het niet brengen, het klein brengen, het anders brengen), maar de vrees om als enige iets anders te doen dan de rest, zorgt ervoor dat iedereen hetzelfde doet. ‘Onze lezers’ moeten immers even goed geïnformeerd zijn. Anders vragen ze: ‘Wie zijn jullie om voor mij te beslissen?’

Ook daar speelt dus het ‘populistische’ paradigma. Het versterkt de marktlogica: media die zich, net als politieke partijen, allemaal op hetzelfde doelpubliek richten, de middengroep, waardoor er een strakke consensus ontstaat over wat ‘nieuws’ is. In dit geval is het effect kwalijker dan dat het heilzaam is. Ik denk dat redacties maatregelen zullen moeten nemen tegen dergelijke ‘besmetting’. Het is niet langer houdbaar dat zes kranten op één dag elk veertien pagina’s wijden aan hetzelfde ongeluk, plus de radio ettelijke uren, plus de televisie. Het is niet langer houdbaar dat het loutere feit dat een verhaal ergens opduikt – in een tijdschrift, op het internet – voldoende is om het na te vertellen, desnoods om te zeggen dat het het niet waard is om te worden naverteld. Niemand staat machteloos tegen het nieuws.

Men kan een systeem bedenken van een ‘rode telefoon’ tussen hoofdredacties, om bij groot nieuws goede afspraken te maken. (Onwaarschijnlijk.) Men het zou het prisoner’s dilemma kunnen breken door het om te keren: inschatten wat de anderen gaan doen, betekent iets anders bedenken. (Maar hoe giet je dat in een procedure die de stress van het moment overleeft?) Men zou een interne workshop kunnen houden: hoe herleid ik veertien pagina’s over een busramp tot twee of vier, zonder essentiële info te verliezen of harteloos over te komen?

Sowieso is er meer nood aan zelfevaluatie en publieke transparantie. Het publiek heeft het recht om verantwoording te vragen aan een sector die ingrijpt op het maatschappelijke leven. Dat is niet alleen een antwoord op de ‘populistische’ vraag: ‘wie zijn jullie om...?’ Maar het helpt redacties en journalisten ook om oprecht dieper na te denken over de eigen werking, en die zo te verbeteren.

We evolueren ernaartoe. Maar het gaat moeizaam. Het is goed dat er vaker openlijk wordt gedebatteerd over het nieuws. Ik ontmoet voortdurend journalisten, van alle titels, die kritisch over het eigen werk willen praten. Maar sommigen zeggen me ook dat ze dat niet publiek kunnen doen,want ‘de officiële lijn bij ons is dat we niet in polemiek gaan’. Toen ik begon, schreef de belangrijkste commentator van een invloedrijk nieuwsmagazine nog dat geen enkel medium ter wereld zo dom was om de eigen fouten openbaar te maken, en dat mensen zijn blad maar moesten lezen, want daar stond nooit een fout in. (Beide beweringen waren fout.) Ik vind het een pijnlijke, zelfingenomen, arrogante en voorbijgestreefde visie op journalistiek. Maar ze verdwijnt maar even traag als haar vertegenwoordigers met pensioen gaan.

Of ik dan zelf tevreden ben over mijn eerste jaar als ombudsman? Bof. Gematigd. Er zijn zaken die ik beter had kunnen en moeten doen – ik heb ze hier opgesomd. Er staat nog heel veel in de stellingen; een jaar is niet zo lang.

Maar fair is het niet dat alleen ik mezelf zou evalueren. Voel u vrij om me te mailen wat u ervan dacht, en wat u nog verwacht. Maar onthou: ik beantwoord ook mails die niét eindigen op ‘De vis stinkt aan de kop!’.

Liéver, zelfs.