Nu de winter terug is, of toch tenminste haar laatste stuiptrekkingen het land platslaan, vind ik energie in de kleinste grootse dingen. Literaire parels, krantenartikels, gemberthee met citroen, het schrobben van de badkamervloer, een wandeling in een park naar keuze. Ik wandel en ik lees, soms drink ik wat bier. Ik lig in een bed naast mijn lief, ik praat zacht, ik kook wat pasta, ik schuifel een walsje in mijn slaapkamer. Nu de wind gaat aantrekken, vind ik de rust weder. Rust die ik, samen met de laatzomerzon, had zien verdwijnen in deze koningsstad.

 Ik drink wat thee, niet geheel vrijwillig, - mijn koffieloze vastenperiode verplicht mij daar toe – samen met Sigrid, en een man speelt wat gitaar. Istedgaden is vol met fietsen, auto’s, mannen met baarden, toeristen. Wij zijn stil, ik lees en boek en zij haar e-mails. Ze zucht en zegt hoe goed het is, zo stil te zijn, midden een stad waar alles in beweging is. Ik knik, zoals dat gaat, verzonken in gedachten bij mijn prachtig boekje. Wat later zeg ik hoe goed het is, zo stil te zijn, midden een stad waar alles in beweging is. Zij knikt, zoals dat gaat, verzonken in gedachten. Vast over studies, misschien over een liefste in Noorwegen, misschien over thuis.

Ik zie de man, zijn gitaar, de gouden halsketting rond Sigrids nek. Haar geneurie, haar dialect, de waarheid in haar woorden. We spreken over goede mensen, mooie mensen, stilte en tijd. Over de wil om beter te worden, over de toestemming die men hebben moet om even niet te willen, om even niet te kunnen. We zijn het eens over zoveel dingen, in een taal die de mijne niet is. We zijn het eens wanneer we vertrekken en wandelen over de drukke straat. In stilte, want zwijgen kan niet verbeterd worden. – dat wist Elsschot al.

Nee, stilte geeft niet alle antwoorden. Ze is een koele minnares. Ze kan zo koud zijn. Ze geeft geen pasklaar antwoord, ze is een sfinx zonder weerga. Ze vult mijn kamer, de stad, de ogen van zovelen. Zelden omarmt ze me en zegt ze dat het goed is. Zelden zie ik haar ware, warme gelaat van troost en kompassie. Maar nu, in Sigrids ogen, in de maandagzon, hangt ze aan mijn arm, en wandelt ze mee door mijn nieuwe stad. Het noorden is zo stil, haar mannen zijn vaak zwijgers. Het drukke, kletsende Vlaanderen lijkt verder weg dan ooit in de stille straten van mijn wijk.

Ach, wat nemen we weinig tijd. We staan te weinig stil. Stilstaan bij de kleine dingen van het leven is een platgetreden pad. Nee, stilstaan doet men niet meer. Ook ik ben een kind van de drieminuten generatie. Drie minuten pop, drie minuten interview, drie minuten telefoongesprek. Drie minuten heeft men nodig in 2012. Tijd nemen kunnen we niet. Daarom lijkt het zo gek, wat wandelen, wat lezen op een bed, wat zwijgen met mijn lief. Daarom lijkt ik zo rusteloos wanneer ik schrijven moet. Wanneer ik thee maak of ik vijf minuten langer moet wachten op groen licht of een vertraagde trein.

De stilte omarmt me, en begeleid mij naar rustige oorden. Vloeken blijf ik doen, dat van die jongen uit West-Vlaanderen en omgekeerd weet u nog, maar thuis is het stil. Geen muziek, hoogstens een pianomelodie, hoogstens een ballade. Hoogstens het geraas van een trein, misschien wat regen tegen een eik. Ik wandel door het kerkhof vol grossiers en sociaal-democraten. De stilte heeft haar beste pelsmantel aan, haar fraaiste schoenen, haar knapste coiffure. Het is dus niet verwonderlijk, hoe goed het mij doet, vandaag te wandelen tussen de doden.