Zo train je níet voor een marathon
Foto: shutterstock
Twee weken ver in mijn marathonschema en ik heb al valsgespeeld. Niet om het mezelf gemakkelijker te maken, integendeel. In plaats van op mijn vijfde trainingsdag 40 minuten los te lopen (hartslag 129-139), heb ik 51 minuten wedstrijdgelopen. Lees: de ziel uit mijn lijf gerend (hartslag – gelukkig – ongekend).

Ik ben nu eenmaal aan iets begonnen en dan wil ik het afmaken. Dit voorjaar schreef ik me in voor het Vlaams-Brabantse Scott2run-criterium en als ik in het eindklassement wil opgenomen worden, dan moet ik minstens zeven wedstrijden gelopen hebben. Ik heb er sinds gisteren nog maar een te gaan.

Dit weekend was het in Bertem te doen, weer een van die Vlaamse-Brabantse gemeenten met venijnige hellinkjes. Want het is nu op die manier dat ik al deze dorpen – plaatsen waar ik zelden kom – onthoud: aan de hand van hun topografie.

In Bertem zijn overigens straatwerken aan de gang, zoals in zowat elke gemeente dezer dagen. En dus moest ik de auto parkeren op iets wat op een parking leek, door de modderige bouwwerf op zoek gaan naar een inwoner die de weg kent, in een spurtje naar de sporthal om me twee minuten voor de start in te schrijven.

Buiten adem wrong ik me naar het midden van het bescheiden groepje deelnemers toen het startschot gegeven werd. Vergis je niet: het deelnemersaantal van deze wedstrijden is klein, gemiddeld 200 man, maar de kwaliteit ligt hoog. Het zijn vooral atletiekclubs en vooral mannen die hier hun wedstrijdhonger komen stillen. Loopvolk in gesponsorde shirts, goed voorzien van hartslag- en andere meters, de meesten dertigers en veertigers en dus ervaren diesels.

Opgejaagd door hun nooit aflatende tempo, verleg ik dan elke keer mijn grenzen. Nooit inhouden, tenzij mijn kin echt te laag tegen de grond hangt. In Bertem stond ik nog extra onder druk: het parcours ging over half geplaveide, half geërodeerde veldwegen, door het onweer tot modderpoel herschapen. Dan moet je in elkaars spoor lopen en ademt er wel altijd iemand in je nek die niet kan wachten om je voorbij te steken. Halverwege het rondje – dat we twee keer moesten afleggen om in totaal 10,6 kilometer vol te maken – lag een helling die zo steil en glad was dat we zelfs even moesten stappen.

Het mag dan nog zo afzien zijn, als ik na de wedstrijd terug door de bouwwerf naar de auto glibber, nog rood aangelopen, kletsnatte en modderige kleding tegen het lijf geplakt, dan is dat het beste gevoel van de dag. Een goede marathontraining is dit niet geweest: daarvoor moest het te kort, te snel gaan. Maar mentaal is dit een betere les dan 40 minuten loslopen.