Ondanks alles komt de vraag toch nog een beetje onverwacht. Het is vooravond, we zitten en hangen op ons balkon. Rondom veel geloop, geschuifel, gegniffel.

Onder het mom van een kinderfeestje hebben we wat vrienden over de vloer. Er is ijskoude wijn uit Santorini, er is Mythos in groene, bedampte blikjes, er zoemt muziek uit een speaker. De berg waarop we uitkijken, de Ymittosberg, licht op in de avondzon die nu aan de andere kant hangt, boven de zee. Rood is er, maar ook wat oranje, geel en zelfs lichtgroen. Panos komt naast me over de reling hangen. “Wat doe je hier eigenlijk nog?”, vraagt hij. Hij meent het. “Jij hebt toch de sleutels van de nooduitgang?”

Nooduitgang. Waaraan moeten we ontsnappen? Dat zal wel weer die crisis zijn. Een economische crisis, maar ook een politieke, een sociale, maatschappelijke en misschien zelfs culturele crisis. Ik weet het wel, mijn hersenen registreren het wel, maar ik voel het niet, ook niet vanbinnen; ik beleef de crisis niet. Misschien ben ik wel verdoofd, door die intense, lange Griekse zomer. Door haar geuren en geluiden. De geur van dampende pijnbomen, lavendel, oregano, smeltend asfalt, zout en zand, gegrild vlees; het oorverdovend geluid van krekels die je nooit ziet, kinderen die buiten spelen tot middernacht, een man die op zijn vrouw roept aan de overkant van de straat, een motor die wegscheurt even verderop, met een bestuurder zonder overhemd, zonder helm, ronkend van testosteron, zijn prooi gewillig achterop; de smaak van zweet op mijn bovenlip, en van sappige, vlezige watermeloenen, opgestapeld in rijen dik langs de kant van de weg. De blauwe lucht, de hete zon, het koele water. Ijskoude wijn uit Santorini. En de kleuren van mijn berg.

Ik vertel dat er op mijn werk weer drie vertrokken zijn: twee naar Duitsland, een naar Brussel. Iemand anders vertelt dat de peter en meter van hun dochter het ook voor bekeken houden. Ze verhuizen, samen met de hoofdzetel van hun eigen bedrijf, naar München. Paulina komt er ook bij: haar oudste vriendin vertrekt in september naar Adelaide, Australië. En Despina’s huurappartement staat weer leeg: haar huurders hebben hun boeltje gepakt en zijn naar Londen verhuisd. En dan zijn er nog de buitenlanders, of de gemengde koppels. In de verschillende Nederlandse scholen in Athene dreigt een leerlingentekort. De Amerikaanse girlscouts zitten zonder leiding. En zo gaat dat maar door.

Het lijkt wel een leegloop. En het zijn bijna altijd de hoogopgeleiden, die al een job hebben, die weggaan. Zij die hebben geleerd dromen te hebben, en plannen te maken. Eenvoudige dingen: een gezin, een carriere, een opleiding. Maar hier kijken ze even vooruit en zien ze enkel mist, dus vertrekken ze maar, vaak op goed geluk. Het zijn moedige mensen, die hun eigen lot willen bepalen. De ‘brain drain’ is niet nieuw natuurlijk. Griekenland heeft altijd al haar beste kinderen verstoten, in haar oneindige streven naar de laagste middelmaat.  Maar het lijkt veel massaler nu, en vaak eerder een noodzaak dan een echte keuze. En voor iedereen die weggaat, zijn er een hoop die achterblijven. Een moeder die haar kind ziet vertrekken, een zus die haar broer laat gaan, een gezin dat de vader afstaat, een jarenlange vriendschap die ‘on hold’ wordt gezet. Er vallen kruimels op de grond. Er is schade.

Ik heb Panos nog niet geantwoord. “Wat doe ik hier nog?”  Er is eerst een andere vraag: “waarom zou ik weggaan”? “Er is geen toekomst” zegt Panos. “Alles gaat eraan, we zijn nog maar aan het begin”. Ik heb geen reden om aan Panos te twijfelen: hij is degene die me jaren geleden, op hetzelfde balkon, de Grote Crisis had voorspeld. En ja, het klimaat wordt wat grimmiger. Nu het besef langzaam doordringt dat er geen toverdrankje is, dat het lange-termijn-afzien wordt. De taal wordt wat sloganesker, de posities wat extremer, simplistischer. Een gemeenschappelijk project is er vooralsnog niet. Alexis Tsipras heeft veel schade aangericht, met zijn bijna geslaagde poging om de bevolking achter zijn negatief project te scharen. Een project van ontkenning, pseudo-revolutie, afbraak. Maar het moet gezegd: een ander project was er niet. En ‘we-slaan-de-handen-in-elkaar-en-bouwen-samen-aan-iets-moois’ zit ook niet in de Griekse traditie. Het zijn geen scouts, het zijn matrozen: er is altijd een kapitein nodig die zegt waar het naartoe gaat, ‘en anders overboord’.

Maar toch: zou het echt zo erg zijn als Panos beweert? Of is het gewoon iets waaraan je wel went? Wie in België is opgegroeid, heeft altijd wel iets moeten wegdenken om in Griekenland zonder zenuwtoeval te kunnen leven, al is het maar het vuil op straat, de soms op brutaliteit lijkende assertiviteit van de Grieken, of het vaak stuitende, aan wreedheid grenzende gebrek aan compassie. En er is zeker wat vrolijkheid verloren gegaan, en wat tweedracht bijgekomen: stoere kerels prediken de revolutie, brave huisvaders kalmte en rede. Maar ik, ik schaam me een beetje; ik probeer wel, maar het lukt niet: ik voel me amper betrokken; ik kan het niet helpen. Mijn hersenen registreren het wel, maar ik voel het niet. Kom nog eens terug in de herfst. Misschien dan…

De geur van kaneel dwarrelt naar boven. De buurvrouw in het appartement onder ons is aan het koken. Kokkinisto vermoed ik: gestoofd rundsvlees in een urenlang gedikte tomatensaus, met kaneelstokjes. Bitterzoet, die geur, en bedwelmend, verwarrend. Net als de in melancholie gedrenkte lichtheid van Griekenland zelf, die unieke integratie van eeuwenlange traditie en geschiedenis in het blijmoedige ‘morgen is er nog een dag’. Het is iets vervullends, het doet goed met een mens. En dat is er toch nog.

En er is het strand van Sounio de volgende dag. Met eerst de glorieuze rit langs de onmogelijk blauwe baaien en kreken van de ‘Athens Riviera’, en dan de duik in het koele, heldere water vlak onder Poseidon’s tempel. Die staat er ook nog, die heeft al veel meegemaakt.

Wat doe je hier nog?”. Panos wacht al niet meer op een antwoord, hij is zijn zoon gaan zoeken, tijd om naar huis te gaan. Mijn dochter en zoon slapen al op de zetel. Mijn berg is inmiddels in donkerte gehuld. Maar dat betekent niet dat hij er niet meer is, dat weet ik wel. En ook weet ik dat blijven een opdracht inhoudt aan hen tweeën, een opdracht om bergen te verzetten, de bergen die anderen in hun weg hebben gelegd; en ik weet eveneens dat ik hen de kans kan geven het zonder die opdracht te doen, door er gewoon rond te wandelen.

Panos heeft gelijk, ik heb een geheime ontsnappingsroute. Maar weggaan, dat is toch altijd een beetje blijven. Alsof je afbrokkelt. En welk beetje blijft er achter? En welke kruimels vallen op de grond?

En kunnen we wel zonder die stukjes?