Het Amerikaanse hooggerechtsof heeft dinsdag het beroep verworpen van verschillende gedupeerden van het faillissement van de toenmalige Amerikaanse energiereus Enron in 2001. De betrokken investeerders eisten een schadevergoeding van 40 miljard dollar van enkele zakenbanken die de energietrader toen begeleidden.
De verwerping volgt op een gelijkaardig arrest van het Supreme Court op 15 januari. Ook toen verwierpen de rechters de mogelijkheid van gedupeerden om derde partijen, de zakenbanken, aan te klagen bij gevallen van financiële fraude. Het hof oordeelde toen dat vervolging enkel kan indien de benadeelden rechtstreeks van die derde partijen afhankelijk zijn bij het maken van investeringsbeslissingen. De betrokken investeerders hadden een proces aangespannen tegen de banken Merril Lynch, Credit Suisse en Barclays. Het hooggerechtshof wees de klacht af zonder motivatie. Volgens specialisten is dit het einde van de rechtszaak. Op een lager gerechtelijk niveau was de gezamenlijke klacht en dus een mogelijke schadevergoeding al afgewezen. De rechter oordeelde dat het aandeel van de drie zakenbanken in de boekhoudkundige fraude die tot het faillissment leidde, niet groot genoeg was om te oordelen of zij al dan niet niet de prijzen van de effecten manipuleerden. Eerder sloten Citigroup, Lehman Brothers, Bank of America, JP Morgan Chase en CIBC een minnelijke schikking met investeerders ter waarde van 7,3 miljard dollar. In 2001 ging Enron failliet nadat grootschalige boekhoudkundige fraude bekend raakte. Toenmalig topman Kenneth Lay overleed in 2006 voor het einde van zijn proces.