De begrotingen van de meeste olielanden zijn heel afhankelijk van de inkomsten uit hun olieproductie. Vandaag zijn hun staatsbudgetten gebaseerd op een prijs per vat die veel hoger ligt dan vandaag het geval is.

Zo gaat de Russische staatsbegroting 2008 uit van een gemiddelde olieprijs van meer dan 70 dollar, terwijl voor volgend jaar zelfs een gemiddelde prijs van 95 dollar nodig is om een tekort te vermijden.

De zeer snelle en sterke daling van de olieprijs tussen half juli van dit jaar en vandaag heeft een enorme speculatiegolf tegen de nationale munt, de roebel, veroorzaakt. Tegelijk is de Russische beurs ingestort. De zwaargewichten op de Russische beurs zijn stuk voor stuk oliemaatschappijen waarin de overheid een belangrijke participatie aanhoudt. De Russen zagen gisteren, na een nieuwe forse beursdaling met 17, procent geen andere mogelijkheid meer dan de aandelenhandel op te schorten tot volgende week maandag.

In de oliestaat Koeweit ging de beurs eveneens dicht. Een rechtbank ordonneerde de sluiting op vraag van wanhopige traders.

De president van Venezuela, Hugo Chavez, stak gisteren evenmin onder stoelen of banken dat de voortdurende daling pijn doet. Hij voegde er nog aan toe dat ook zijn land geconfronteerd worden met een recessie.

Ondanks de grote prijsdaling staan oliestaten niet te springen om hun productie verder te verlagen. Hun grote schrik is dat ze dan nog minder inkomsten zullen binnenkrijgen. (pse)