Het idee om de inflatieperceptie te meten, is op zich niet nieuw. De Europese Centrale Bank publiceert regelmatig de inflatieverwachtingen in de eurozone, niet helemaal hetzelfde, maar wel belangrijk. Ze doet dat aan de hand van een enquête onder hoofdeconomen van banken en andere professionele economische voorspellers.

Voor de Bank is dat een belangrijke indicator van de mate waarin de prijzen onder druk blijven staan. De ECB is vooral beducht voor 'tweede ronde-effecten'. Die worden onder meer veroorzaakt door oplopende inflatie-verwachtingen, waardoor bedrijven en gezinnen zich aanpassen en bijvoorbeeld aankopen of investeringen vervroegen uit vrees voor nieuwe prijsstijgingen.

Op die manier dreigt een spiraal op gang te komen van prijs- en loonstijgingen. Het begint met een stijging van de prijs van de geïmporteerde grondstoffen. Die stijging leidt tot een verhoging van de lonen. Maar die grondstoffen en lonen zijn ook kosten voor de bedrijven. Zij proberen hun winstmarge te beschermen en verhogen de prijs van hun afgewerkte producten, waardoor de lonen weer mee omhoog gaan, en de spiraal komt op gang.

Als de prijsstijgingen van de olieproducten dan uiteindelijk toch stilvallen, zal de gevoelsindex meteen mee stilvallen en heb je zo gemeten dus nog nauwelijks inflatie. Intussen stijgen wel de prijzen van nog tal van andere producten, maar die zitten natuurlijk niet in de gevoelsindex. Als je loonstijging afhankelijk is van de gevoelsindex heb je dus snel resultaat, maar op termijn dreig je slechter af te zijn. (lc)