De sociale verkiezingen van mei 2008 zijn in peis en vree verlopen. Er zijn geen meldenswaardige verschuivingen te melden. Het was voor de buitenwereld bijna een non-event.

De werkelijkheid is heel anders voor werkgevers, vooral in groeiende kmo's, die voor de eerste keer geconfronteerd worden met fenomenen als een ondernemingsraad of het preventiecomité. De meesten zien de vakbondsaanwezigheid binnen de muren van hun onderneming niet graag komen. In hun ogen zijn vakbondsmensen nijdige opposanten die graag protesteren en contesteren, de boel met plezier platleggen en oeverloos op pietluttigheden vitten. Sommigen hebben geprobeerd hun medewerkers ervan te overtuigen dat zij geen vakbond nodig hebben om overleg te plegen. Enkelen hebben vermoedelijke kandidaten vóór de verkiezingsperiode al aan de deur gezet. Wie wil nu graag dansen met de duivel?

Wie als werkgever, manager of kaderlid een vechthouding aanneemt tegenover de formele, wettelijke overlegorganen, zaait gegarandeerd zelf de kiemen van een vechtrelatie. Ook al gaat het om een gedwongen verhouding, men kan als werkgever maar beter proberen er constructief mee om te gaan. Hulp en goede raad kan men vinden in een pas verschenen boek van vier Franstalige Belgische deskundigen. Het auteursteam bestaat uit mensen met een patronale en syndicale achtergrond, met een juridische en economische opleiding, consultants en hoogleraren. Hun werk is in eerste instantie bedoeld voor directie- en kaderleden die deelnemen aan het sociaal overleg als werkgeversafgevaardigde.

De auteurs behandelen logischerwijze eerst de juridische en institutionele context van de drie formele overlegkanalen: ondernemingsraad, comité voor preventie en bescherming op het werk en syndicale delegatie. De bevoegdheden van elk orgaan, de rechten van de personeelsvertegenwoordigers en de spelregels komen aan bod. Opmerkelijk is de zeer uitgebreide aandacht die besteed wordt aan een heikel punt voor alle werkgevers: de bescherming van de betrokken afgevaardigden van het personeel.

De meest originele bijdragen betreffen evenwel het streven naar een constructieve dialoog. De auteurs gaan ervan uit dat zowel werkgevers- als werknemersafgevaardigden vandaag de dag een voorkeur hebben voor win-winoplossingen. Zelfs de vakbonden zijn daar naar hun mening voor gewonnen, zij het meer uit pragmatische dan ideologische overwegingen. Het is zeer nuttig om je gesprekspartner te kennen. Het boek geeft dan ook een inzicht in de motivatie, de attitudes en de tactieken van de vakbondsmilitanten. De auteurs winden er geen doekjes om: er zijn idealisten, maar evengoed afgevaardigden die streven naar hun eigen comfort, status en bescherming. Ze gaan ook diep in op de sterke aversie van de vakbonden tegen elke verandering.

De auteurs stellen dat vooral de houding en het gedrag van directie- en kaderleden bepalend is voor het sociaal klimaat in een bedrijf. Hefbomen zijn vooral het respect voor de rol van de overlegorganen, een open en constructieve dialoog en duidelijke afspraken over de tijdsbesteding en de faciliteiten van de personeelsafgevaardigden. Het adagium 'je hebt de vakbonden die je verdient' wordt in dit boek nogmaals bevestigd.



Beoordeling:

Roland Gits, Alain Hosdey, François Lagasse en Patrick Namotte, 'Les élections sociales et après? Clefs pour les relations sociales en entreprise'. Edipro, Liège, 2008, 382 blz.

ISBN 978-2-87496-002-4



Luc Derijcke is academisch verantwoordelijke Mens& Organisatie aan de UAMS.

www.standaard.biz/boekenonderzoek

:uitstekend /:zeer goed/:goed

:zwak/:slecht