FERMETTEGEM

Wanneer ik mijn dorp doorkruis, kijk ik wel eens naar de huizen langs de rand van de weg. Er is van alles te zien. Werkmanshuizen. Villa's. Bungalows. Kasteeltjes. Maar vooral: fermette, na fermette, na fermette. In lintbebouwing en op verkavelingen. Waarom oogst de fermette zoveel hoon en kent ze tegelijk zoveel bijval? Een fermette herken je direct. Aan het zadeldak en de dakkapelletjes. Aan de ramen met verdeelde ruiten en de 'blaffeturen'. De fermette vertelt een verhaal over het eenvoudige boerenleven. Daarvoor zorgen ook de symbolische verwijzingen die haar omringen. Het karrenwiel tegen de gevel. Het melkvaatje als brievenbus. Het gazon als gestileerde weide. De waterput, die er niet echt een is. Soms: een miniatuurwindmolen. Soms: vrolijke hoeveknechten (de tuinkabouters). Bij een van mijn buren vult een veestapel de voortuin: een koe, een ezel, een paard, alle in polyester.

Niet dat fermettebewoners opnieuw willen leven als boeren en boerinnekes. Binnen snorren de huishoudapparaten, blikkeren de flatscreen en de computermonitor. De fermette drukt veeleer een verlangen uit naar de geborgenheid van een geïdealiseerd verleden. Toen van het drukke, stresserende, grootstedelijke leven nog geen sprake was.



Ook de gerenoveerde hoeve wasemt die zoete nostalgie naar dorpse eenvoud uit, en toont in haar langgerekte bouw de sporen van waar ooit de stallen waren. De ...

Niet te missen