De onschuldige erfgenaam (bis)
Foto: © MC Marc Cels
In de krant van 12oktober 2006 vertelden we u de lotgevallen van een familie die méér erfde van een suikertante dan ze aanvankelijk had gedacht. Omdat ze het bijkomend actief spontaan hadden aangegeven, gunde de rechtbank van Brugge hen kwijtschelding van de door de fiscus opgelegde boete. Op 16januari 2007 moest het hof van beroep van Antwerpen zich over een vergelijkbare zaak uitspreken. Het arrest werd besproken in Fiscale Koerier12). De raadsheren van het hof van beroep stelden zich nu echter heel wat strenger op.

Ook hier ging het om de nalatenschap van een overleden suikertante. De neven en nichten die haar vermogen erfden, deden tijdig een aangifte van nalatenschap voor alle goederen die ze in het vermogen van hun tante aantroffen. Ze hadden echter de indruk dat de tante nog meer aandelen en kasbons moest hebben gehad. Via de notaris stelden ze dan ook een procedure van verzet op titels in.

De ontvanger van de successierechten krijgt hier weet van en vraagt de erfgenamen om een bijkomende aangifte te doen, wat ook gebeurt. Bij de afrekening van de successierechten legt hij evenwel een boete op van 20%.

Daartegen tekenen de erfgenamen protest aan bij de rechtbank van eerste aanleg in Antwerpen, waar ze geen gehoor vinden. Ze tekenen beroep aan tegen het vonnis, waardoor de zaak aan het hof van beroep wordt voorgelegd.

Voor het hof roepen de erfgenamen in dat ze geen enkele fout hebben gemaakt en dat hen dan ook geen boete kan worden opgelegd. Ze konden immers het precieze vermogen van hun tante niet kennen. Daarmee neemt het hof geen genoegen. Voor de kwijtschelding van de boete is het niet voldoende dat de erfgenamen te goeder trouw waren. Ze moeten aantonen dat de niet-aangifte te wijten is aan overmacht of aan een onoverwinnelijke dwaling. Ze zouden met andere woorden moeten aantonen dat ze alles in het werk hebben gesteld om een correcte en volledige aangifte in te dienen.

Uit het feit dat ze, vooraleer de aangifte van nalatenschap werd ingediend, verzet hadden aangetekend tegen de buitenbezitstelling van de effecten, blijkt dat ze weet hadden van het bestaan ervan, hoewel uit het verzet ook kan blijken dat de titels niet meer aanwezig waren.

In een eerder vonnis van 24april 2006 had de rechtbank van Brugge geoordeeld dat van de erfgenamen niet geëist mocht worden dat ze het harde bewijs zouden leveren van het feit dat ze van het bestaan van de bijkomende vermogensbestanddelen niet op de hoogte waren. Dat komt immers neer op het vragen van een (onmogelijk te leveren) negatief bewijs.

Door zijn arrest van 16januari 2007 bekrachtigt het hof van beroep van Antwerpen het strenge administratieve standpunt, wat tot gevolg heeft dat de mogelijke kwijtschelding van de boete op grond van artikel 131 van het Wetboek van Successierechten vaak dode letter blijft. Op deze manier kan aan een erfgenaam te goeder trouw toch een vaak zeer hoge boete worden opgelegd, in sommige gevallen zelfs voor effecten die niet meer terug te vinden zijn.

www.standaard.biz/fiscalekroniek

Luc Vanheeswijck is advocaat bij Dumon, Sablon& Vanheeswijck.