De zwanenzang van een Oude Dame
Een beeld van de algemene vergadering, in april 1988. Eric Peustjens
Foto: © EP Eric Peustjens
'De beursnotering van het reserve-aandeel van de Generale Maatschappij is geschorst, de Generale zelf geeft straks een persconferentie en Marc is vertrokken naar Parijs voor een interview met Carlo De Benedetti.' De verwelkoming die collega Peter Cuypers op maandag 18 januari 1988 kreeg op de redactie van deze krant, was vrij spectaculair, schreef hij later dat jaar in zijn boekje 'Het bod op België'.

Op zondagavond 17 januari was de Italiaanse financier Carlo De Benedetti met een doosje Belgische pralines thuis op bezoek geweest bij René Lamy, de gouverneur van de Generale Maatschappij van België. Hij kondigde hem aan dat hij 18,6procent in handen had van de Generale, en dat hij, via zijn Franse holding Cerus, een openbaar bod wilde uitbrengen op nog eens 15procent. Dat zou moeten volstaan om de controle te verwerven over de Generale.

Het nieuws joeg een schokgolf door financieel-economisch en politiek België. Want de Generale Maatschappij van België was niet zomaar een holding of een bedrijf. Ten tijde van het bod van De Benedetti besliste de Generale over het beleid in zo'n honderdtal Belgische ondernemingen, zoals de Generale Bank, Union Minière (non-ferro), Tractebel (energie), FN en Acec (metaalverwerkende nijverheid), CBR (cement), CFE en Franki (bouwsector), CMB (scheepvaart) en Gechem (chemie). Daarnaast bezat ze nog een veelvoud aan participaties in binnen- en buitenlandse ondernemingen. Midden 1987 werd de waarde van al haar deelnemingen geraamd op zo'n 100miljard Belgische frank, 2,5miljard euro. Wie de touwtjes van de Generale in handen had, controleerde met andere woorden de Belgische industrie.

Maar in de jaren tachtig van vorige eeuw, ruim honderdvijftig jaar na haar ontstaan, was de Generale Maatschappij een vermolmde instelling geworden die zich ertoe beperkte haar belangen, die zich vooral situeerden in traditionele economische sectoren, vrij passief te beheren. Daaraan had ze ook haar bijnaam 'de Oude Dame' verdiend. Lamy, de 'laatste gouverneur', had de modernisering weliswaar in gang gezet, maar die vorderde slechts langzaam. De Benedetti zou niet voor niets zeggen dat hij de Generale 'uit de feodaliteit' wilde halen.

De Benedetti was die bewuste zondagavond nauwelijks de deur uit of Lamy organiseerde het verzet tegen de overnamepoging van de 'raider'. Hij riep een nachtelijke raad van bestuur bijeen, die halsoverkop een kapitaalverhoging doorvoerde om zich te verdedigen tegen het ongewenste bod. De (twaalf miljoen) nieuwe aandelen zouden bij bevriende aandeelhouders geplaatst worden. Daardoor zou het belang van De Benedetti verwateren en zou zijn poging om de controle over de Generale te verwerven, mislukken.

Hoewel ze was toegelaten door de toenmalige Bankcommissie, vocht De Benedetti de kapitaalverhoging aan voor de handelsrechtbank, waar voorzitter Jean-Louis Duplat ze blokkeerde. Terwijl dat juridische gevecht zich afspeelde, mengden zich andere partijen in de strijd. Inmiddels steeg de koers van de Generale op de beurs naar ongekende hoogtes.

André Leysen, de voorzitter van de holding Gevaert, was de eerste die probeerde enkele partijen bij elkaar te brengen om de Generale Maatschappij in België te 'verankeren'. De achterliggende bedoeling was onder meer om de Vlamingen een grotere stem in het kapittel te geven bij de grootste en vooral Franstalige holding van het land. Vanuit Frankrijk dook dan weer de 'bevriende' Compagnie financière de Suez op, met een belang van tien procent en een aantal mogelijke Franse bondgenoten tegen De Benedetti.

Leysen slaagde er niet in een alliantie met Suez en onder meer de jonge Vlaamse zakenbank Lessius tegen De Benedetti rond te krijgen, en leek zich terug te trekken uit de strijd. Maar in een onverwachte wending zou hij enkele weken later zijn Generale-aandelen verkopen aan en een alliantie sluiten met... De Benedetti.

Leysens rol als luidste pleitbezorger en architect van een Belgische verankering was intussen overgenomen door Maurice Lippens, de topman van verzekeraar AG die een kruisparticipatie had met de Generale. Lippens slaagde er wel in om, samen met Suez en een hele rist andere partijen, meer dan 50procent van de Generale-aandelen te mobiliseren.

Uiteindelijk stonden, op een cruciale en druk bijgewoonde buitengewone algemene vergadering op 14 april 1988, het kamp Suez-AG en het kamp De Benedetti lijnrecht tegenover elkaar. Beide beweerden over een meerderheid van de aandelen te beschikken. De stemming over de benoeming van de nieuwe raad van bestuur maakte duidelijk hoe de verhoudingen lagen: de aandeelhouders verkozen de twaalf bestuurders die werden voorgedragen door Suez-AG, van wie er zes Suez vertegenwoordigden. Vanaf toen was duidelijk dat voortaan in Parijs over het lot van de Generale beslist zou worden.