De waarheid als overtuiging
Foto: © Jimmy Kets
Verslaggeving over een kwestie waar geen brede consensus over bestaat is geen evidente klus, zegt TOM NAEGELS. Daarom moet een journalist er in zo'n geval extra over waken dat hij zelf voldoende afstandelijk blijft.

Word ik me daar in een wespennest gegooid. De voorbije dagen hebt u op deze pagina's een debat kunnen lezen over de wetenschappelijkheid van de psychoanalyse. Stijn Vanheule, hoofddocent psychoanalyse aan de UGent, en Maarten Boudry, wetenschapsfilosoof aan diezelfde universiteit, kruisten de degens (DS 10 en 13 december). De aanleiding was een reportage in de weekendkrant van 3 december: 'Het front tegen Freud. Is de psychoanalyse een pseudo-wetenschap?'

Dat wetenschappers debatteren over wetenschap, spreekt vanzelf. Een aantal lezers voert echter aan dat de journalist, Joël De Ceulaer, allang partij gekozen heeft tégen de psychoanalyse, en dat hij dus geen objectieve verslaggever is. In het verleden schreef hij immers een lovende recensie van het vernietigende Le livre noir de la psychanalyse ('Freud est mort', Knack, 23 november 2005), of het opiniestuk 'Hebben we een nieuwe Verlichting nodig?' (Knack, 22 december 2010) Daaruit: 'Aan sommige van onze universiteiten worden nog altijd de inzichten van Sigmund Freud gedoceerd, hoewel ondertussen allang is uitgemaakt dat de psychoanalyse een compleet verwaarloosbare pseudo-wetenschap is.' 'Dit is een opinieartikel', zo besluit onder meer Anton Froeyman, onderzoeker aan het Centrum voor kritische filosofie van de UGent, 'Het hoort dan ook op de opiniepagina, niet in de wetenschapsrubriek.'

Niet overtuigend

Voor ik inga op die voorgeschiedenis, eerst het stuk zelf. Dat overtuigde me niet. Niet omdat het sturend zou willen zijn - daarover later. Maar omdat het twee kwesties bespreekt, en het verband ertussen niet hard maakt.

De eerste helft gaat over een Franse documentaire, Le mur, waaruit blijkt dat Franse, lacaniaanse psychoanalisten autisme niet beschouwen als een ontwikkelingsstoornis (de wetenschappelijke consensus) maar als 'een psychose van het pasgeboren kind dat zich in zichzelf opsluit als reactie op de invasie van de buitenwereld'. Drie lacanianen hebben een proces aangespannen tegen de maakster. Het artikel bericht over dat dispuut, en meldt dat Frankrijk het laatste lacaniaanse bolwerk is. 'Ze vormen een soort sekte', aldus psycholoog Jacques Van Rillaer, emeritus hoogleraar aan de UCL. 'Ik vergelijk hen met fundamentalistische moslims.'

Het tweede deel zoomt in op een Vlaamse kwestie: er is een vacature bij de vakgroep psychoanalyse aan de Gentse universiteit, en sommige academici - filosofe Griet Vandermassen wordt genoemd - maken daar bezwaar tegen. Het is die overgang die mij niet overtuigt. Het Franse voorbeeld komt over als een extreem geval: net zoals je kanker niet geneest met homeopathische drankjes, zo behandel je autisme niet op de sofa - dat begrijpt iedereen. Maar gebeurt dat ook aan de Gentse universiteit? Ik krijg daar geen uitsluitsel over. Over Paul Verhaeghe, hoofd van de vakgroep, leer ik dat hij 'niet echt onomstreden is', maar 'de waardering klinkt luider dan de kritiek'. Vroeger was er wel een probleem met lacanianen maar Verhaeghe is 'de man die van de psychoanalyse aan de Universiteit Gent een empirische discipline maakte'. Het is ook onduidelijk of er nu werkelijk opschudding is over die vacature. Er wordt één opiniestuk vermeld uit 'het vrijzinnige tijdschrift De Geus' - geen grote publicatie. Ik blijf achter met de vraag: is er in Gent wel iets aan de hand?

Beter was het geweest, denk ik, om te schrijven over het Franse deel van het verhaal, en het Vlaamse te houden voor later - tot het moment dat je hard kunt maken dat er wijdverspreid protest is tegen die vacature, of dat er aan de UGent werkelijk wordt aangeleerd dat autisme een psychose is. Nu zorgt de combinatie van het sterke Franse voorbeeld en het veel zwakkere Vlaamse ervoor, dat de Gentse universiteit guilty by association lijkt. Wat dan weer speculaties oproept over de intenties van de schrijver. Wil hij per se nog eens zijn punt maken?

Schijn-neutraal

Nu. Van een journalist wordt verwacht dat hij iedereen evenwichtig aan bod laat komen. Hij hoort de eigen mening voor zich te houden. Als een journalist tegelijk als opiniemaker en als verslaggever werkt, kan hij wellicht zelf het onderscheid maken tussen beide genres, maar het is niet gek als een lezer dat niet doet. Om die reden bestaat er bij sommige buitenlandse kranten de regel dat een journalist geen standpunten schrijft over thema's waar hij verslag over uitbrengt.

Van een journalist wordt ook verwacht dat hij de waarheid zoekt. Anders bezondigt hij zich aan 'hij beweert'/'zij beweert'-journalistiek, een genre waarbij hij zijn handen in de lucht steekt en roept: 'Dit is hoe de twee kampen erover denken, en laat de lezer zélf een oordeel vellen!' Dat is schijn-neutraal. Het is immers waarschijnlijk dat een van beide kampen over betere argumenten beschikt.

Die opdrachten zijn tegenstrijdig. Zolang er over een onderwerp consensus bestaat, en zolang de journalist die consensus volgt, geeft dat weinig spanning. Is die er niet, of doet hij dat niet, dan ontstaat snel het gevoel dat de waarheid, die de journalist meent gevonden te hebben, niet meer is dan zijn eigen overtuiging - en dat hij dus niet meer objectief is. Dat ontslaat de journalist niet van de plicht om de waarheid te blijven zoeken. Alleen hoort hij er nog meer dan anders alles aan te doen om de feiten zo onweerlegbaar mogelijk te presenteren.

Het is dat waar dit stuk, naar mijn mening, onvoldoende in is geslaagd.

De ombudsman houdt de redactie van De Standaard wekelijks een spiegel voor. Opmerkingen over journalistiek in De Standaard kan u melden via ombudsman@standaard.be en via www.standaard.be/ombudsman, waar u ook links vindt naar zijn Facebook- en Twitterpagina (@OmbudsDS)