Ruim twee jaar geleden werd het toenmalige management van het Flanders Fashion Institute (FFI) op de vingers getikt. De vzw werd slecht gerund en de subsidiestroom vanuit het kabinet van minister Fientje Moerman (Open VLD, toen verantwoordelijk voor Economie) werd tijdelijk bevroren.

In augustus 2006 kwam Edith Vervliet aan zet. Ze kende niets van mode, maar sprak de taal van ondernemers en overheid. Bovendien stond ze open voor de creativiteit van ontwerpers en hun wereld. 'Die eerste maanden heb ik met tientallen mensen gesprekken gevoerd', zegt Vervliet. 'Ik wilde alle actoren uit het wereldje leren kennen. Ontwerpers en scholen, maar ook de mensen achter Creamoda, Fedustria en andere sectororganisaties, en de mensen die zich met mode inlieten bij de diverse overheden. Ik wist dat mijn taak behoorlijk moeilijk zou zijn. Maar net dat gaf me zin in de job. Ik voelde me gesterkt door de vernieuwde raad van bestuur bij het FFI. Bovendien kreeg ik volop steun uit onverwachte hoek. Linda Loppa (die na de aantijgingen van Moerman opstapte bij het FFI, red.) legde me geen strobreed in de weg. Tot vandaag moedigt zij me trouwens aan.'

U heeft meteen alle deuren van het FFI opengezet, terwijl het FFI vroeger de kritiek kreeg te gesloten en te elitair te zijn.

'Ik hoor ook dat mensen dat vernieuwend vinden, maar mode is communicatie. Waarom zou ik die deur gesloten houden? Ik moest die verkennende gesprekken wel voeren. Ik wist ook meteen dat ik het bedrijfsleven en de overheid nodig zou hebben. De modewereld mag geen eiland zijn.'

'Anderzijds besef ik ook dat hoe meer je met de overheid en het bedrijfsleven praat, hoe moeilijker het wordt om je ding te doen. Sowieso zal mijn aanpak, mijn persoonlijke stijl, anders zijn.'

U moest in elk geval aansluiting vinden bij de overheid omdat u geld nodig had voor de werking van het instituut. Hoe zit het vandaag met de subsidiëring?

'In 2006 is er behalve een projectsubsidie van FIT (Flanders Investment& Trade, red.) geen enkele vorm van subsidie geweest. Nadien kregen we wel de goedkeuring voor een periode van drie jaar. Tussen 2007 en 2009 ontvangt het FFI jaarlijks 165.000 euro van het kabinet Economie. Een vast bedrag van 99.000 euro gaat naar personeelskosten. Het variabele deel, zo'n 66.000 euro, hangt af van de resultaten die we behalen.'

Hoezo, resultaten? Kunt u die dan meten?

'Eerst en vooral is er een advisory board die de projecten van het FFI evalueert. Ik was zelf vragende partij voor die raad. Daarnaast is er samen met de overheid een soort matrix opgemaakt met enkele indicatoren die het ons mogelijk maken de werking te meten. Makkelijk is dat niet, ook al omdat ik enkele indicatoren uit die monstertabel vandaag al anders zou benoemen.'

'Ik ben erg blij dat we afhangen van Economie en niet van Cultuur. Mode is business, dat is de realiteit vandaag. Dat belet niet dat modestudenten tijdens hun studie cultureel-historische achtergronden mogen bestuderen en zelf hoogst conceptuele visies mogen ontwikkelen, maar wie afstudeert en zelf een collectie start, moet beseffen dat daar een economische activiteit aan verbonden is. Voor ons als instituut is het zaak om een goed evenwicht te vinden tussen dat supercreatieve en dat economische aspect.'

Jullie zoeken ook naar geld in de bedrijfswereld. Dat blijkt onder meer uit het 'fundraising dinner' in de ModeNatie van eind november.

'We zoeken voor onze projecten altijd heel gericht naar sponsoring. Ik heb intussen heel wat bedrijven bezocht en ik heb sterk de indruk dat weinig mensen wisten waar het FFI voor stond. Er werd onvoldoende gecommuniceerd. Gelukkig komt daarin nu stilaan verandering.'

'Wat het fundraising dinner betreft: ik vond die avond meer dan geslaagd. Mensen konden er op een heel informele wijze netwerken. Het is een goede formule om bedrijven over de streep te halen. Ik was ook blij dat Kris Peeters, Patrick Janssens, Philip Heylen en prins Laurent er waren. Die mensen geven toch extra uitstraling aan het evenement. Er komt dus zeker een tweede editie, dit keer hopelijk mét sponsors.'

In het missionstatement van het FFI staat onder meer dat het de tewerkstelling in de branche moet proberen te bewerkstelligen. U lanceerde daarom onlangs een jobsite.

'Inderdaad. Die jobsite is een platform om jong talent in contact te brengen met modehuizen in België en het buitenland. Sowieso krijgen we geregeld voorstellen van bedrijven die op zoek zijn naar mensen. Zo heeft het FFI de ontwerper Tim Van Steenbergen gekoppeld aan het Belgische schoenenbedrijf Ambiorix. Ik kende de topman van dat bedrijf en ik wist dat Tim graag een schoenenlijn wilde.'

'We begeleiden ook afgestudeerden en bereiden hen voor op hun loopbaan. Dat gaat van infosessies voor de vier academieopleidingen (in Antwerpen, Gent, Sint-Niklaas en Brussel,red.) tot ad hoc-informatie over contracten of onderhandelingen met modehuizen. We bereiden ex-studenten graag voor op het zelfstandige ondernemerschap. Vaak is het zo dat afgestudeerden meteen aan de slag willen, maar structuur missen. Ze beseffen niet wat er allemaal bij komt kijken. En dat wordt nog eens extra ingewikkeld voor buitenlanders die hier mode gestudeerd hebben. Op dat punt hebben we soms advies nodig van specialisten als Eubelius.'

Jullie houden jullie ook bezig met de persoonlijke coaching van jonge modehuizen en hebben daarvoor een pool van business consultants aangelegd.

'Dat klopt. Momenteel zitten in die pool acht mensen met elk hun specialisatie. We kijken of hun persoonlijkheid aansluit bij die van een ontwerper en proberen ze vervolgens aan elkaar te koppelen.'

'We zitten ook mee in Plato Mode, het peterschapproject dat Voka en de Kamer van Koophandel Antwerpen-Waasland hebben opgestart. Een eerste lichting ontwerpers heeft inmiddels de sessies doorlopen en in september gaan we van start met een tweede lichting. Daarbij gaan we wel werken in twee groepen: enerzijds de starters, anderzijds de doorstarters die meer nood hebben aan het uitwisselen van ervaringen.'

'Dat soort peterschappen is doorgaans sectoroverschrijdend. Maar voor de mode is dat niet evident, omdat mode een sector is met een heel specifieke werking. Ik denk aan de korte productcyclus van zes maanden, de grote prefinancieringen die vaak extreem zijn, de goodwill die je moet opbouwen met je fabrikanten en je bank, en het feit dat je eigenlijk maar één kans hebt om je beeld neer te zetten. Net daarom willen we met ondernemers werken uit de sector zelf.'

In jullie missionstatement staat ook dat jullie mode moeten promoten. Hoe doen jullie dat precies?

'Op diverse manieren. Ons Vitrine-project is redelijk bekend, maar we gaan het aantal designers wel beperken en er een jury en een curator aan vastkoppelen om nog betere kwaliteit te garanderen. Ontwerpers zullen ook een bedrag krijgen om hun project voor Vitrine beter te kunnen realiseren.'

'Daarnaast is er de promotie in het buitenland. We positioneren mode uit Vlaanderen als een creatief topproduct. In Parijs lanceren we tijdens de modeweek ieder seizoen onze Paris Guide to Belgian Fashion, en er is de Showroom Antwerp waarin we jong talent de kans geven om zich te laten zien op de internationale modescène.'

'Intussen hebben we ook afspraken met enkele beurzen en zijn we van plan om samen te werken met het project 080 Barcelona, een modeweek voor Catalaanse ontwerpers. Aan economische of prinselijke missies willen we meewerken, maar alleen als er daadwerkelijk afspraken ter plekke zijn voor de ontwerpers. Niet gewoon omdat een defilé daar het evenement wat glamour verschaft.'

Een van de toppers uit jullie werking is de Antwerp Fashion Walk, waarbij toeristen door de Antwerpse modescène gegidst worden. Is de schepen van Toerisme u daar dankbaar voor?

'(lacht) Die relaties zijn zeer goed, dank u. Het boekje van de Antwerp Fashion Walk is alweer aan een update toe, en ik kan u zeggen dat er van de vorige editie, in drie talen, zo'n 25.000 stuks gemaakt zijn en dat die bijna allemaal de deur uit zijn. Onlangs hebben we er trouwens duizend van verkocht voor een actie van een autobedrijf op het Autosalon. We gaan binnenkort ook van start met personal shopping, op verzoek van Toerisme Antwerpen. Uiteraard wordt er dan geshopt bij de designers.'

Heeft u niet de indruk dat mensen steeds meer de weg vinden naar het FFI?

'Zeer zeker. Het is een kleine wereld, maar mensen spreken er wel met elkaar. Ik weet bijvoorbeeld dat Walter Van Beirendonck heel vaak aan jonge gasten zegt: “Spring eens binnen bij het FFI, die kunnen u allicht helpen., Ik ben blij dat hij dat doet.'

Kan u iets kwijt over de projecten die momenteel in de pijplijn zitten?

'We gaan een corporate fashion-project doen met de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde (de Zoo, red.), en er staat een merchandisingproject op stapel voor de Filharmonie. Voorts zijn we in onderhandeling met Nike en met Telenet om ontwerpers te laten meedenken over bepaalde projecten.'

Fientje Moerman vroeg u naar een studie om onder meer de bedrijfseconomische realiteit van de mode in Vlaanderen in kaart te brengen. Bent u blij met de resultaten van 'Fashionate about Creativity'?

'Uit de studie blijkt dat creativiteit en innovatie voor onze modesector heel cruciaal zijn. We zijn anders dan de anderen, en daarom doen we het niet slecht. De studie laat ook zien dat er nog meer samenwerking moet komen tussen de verschillende actoren. Aan ons om dat dus mee te verwezenlijken.'

'Weet u, in september las ik in Trends een interview met Kris Peeters over zijn Vlaanderen in Actie-project. Hij beseft dat innovatie en talent cruciaal zijn om te groeien. Op dat punt denk ik dat we dat moeten doordrukken naar knelpuntberoepen als stiksters en patroontekenaars. Hun imago moet in het onderwijs en daarbuiten verbeterd worden. Ontwerpers hebben immers elk deeltje van de schakel nodig. Kris Peeters zegt ook letterlijk dat hij een sexy element zoekt voor zijn project. Wij willen dat met onze mode wel invullen. (lacht)'

U bent nu anderhalf jaar manager van het FFI. U komt uit een totaal andere wereld. Wat heeft de mode u intussen geleerd?

'Moeilijke vraag. Ik dacht aanvankelijk dat de kloof tussen de modewereld enerzijds en de bedrijfswereld en de overheid anderzijds minder groot zou zijn. Ik wist ook niet dat ontwerpers zo bezorgd zijn om fouten te maken. Ze willen het echt enorm goed doen en leggen de lat heel erg hoog. Net daarom komen ze vaak als elitair over, en dat is jammer.'

'Op dat punt wil ik hen zeker helpen. Vaak is het een kwestie van taal. Het Flanders Fashion Institute kan beide talen spreken, en stelt zich dan ook op als facilitator tussen jonge ontwerpers en de bedrijfswereld. De kloof moet echt kleiner.' (vwi)