BRUSSEL De Europese Unie mag het stilaan vergeten om tegen 2010 de VS te verdringen als de ,,meest competitieve kenniseconomie ter wereld''. Dat is de zogenaamde Lissabondoelstelling. Alleen een grote versnelling van de uitvoering van de plannen die de lidstaten in 2000 hebben afgesproken, kan dat nog voorkomen.

In maart 2000 spraken de staats- en regeringsleiders van de Europese Unie af dat ze de Unie tegen 2010 zouden omvormen tot de meest competitieve kenniseconomie ter wereld. Ze zouden dat doen aan de hand van enkele concrete doelstellingen; merkpunten als het ware.

In die periode zat de Unie op het hoogtepunt van haar economische groei. Steeds meer analisten zijn het er nu over eens dat dit ook te zien is aan het ambitieniveau van de geformuleerde doelstellingen: onrealistisch ambitieus.

Op diezelfde Europese Raad beslisten de vijftien dat ze jaarlijks, in maart, een ,,lentetop'' zouden houden die volledig aan de economische hervormingen zou gewijd zijn. Met name zou er jaar na jaar een rapport gemaakt worden met een stand van zaken en, waar nodig, een herformulering van de doelstellingen.

Het is met het oog op die voorjaarstop van 26 maart in Brussel, dat de Europese Commissie gisteren haar vierde ,,lenterapport'' heeft vrijgegeven. Net zoals de vorige jaren blijft de toon dominant aansporend: er is vooruitgang maar de regeringen van de Unie werken te traag om de doelstellingen tegen 2010 te halen.

België kreeg gisteren van de Commissie vrij behoorlijke punten (DS 21 januari). Maar net als voor de Unie in haar geheel, is er meestal een ,,maar''.

Als de hervormingen volgens de afgesproken planning worden doorgevoerd, dan kan de groei in de eerstvolgende 5 tot 10 jaar 0,5 tot 0,75.% hoger zijn dan nu, zegt de Commissie. De belangrijkste punten waarop de Unie achteropblijft op haar eigen doelstellingen voor structuurhervormingen zijn volgens de Commissie de kennisnetwerken, de concurrentiekracht van de industriële en dienstensector en de uitdaging van de veroudering. Het zijn deze domeinen waarvan de Commissie zegt dat de lidstaten ze op de lentetop voorrang moeten geven.

Sedert vorig jaar wordt de in 1997 opgestarte jaarrapportering over de evolutie van de werkgelegenheid aan die algemeen-economische rapportering gekoppeld. Ook dat rapport is gisteren vrijgegeven.

Ook daar is de toon dezelfde: het gaat te traag. Het objectief dat 70 procent van de actieve bevolking in 2010 effectief aan het werk is wordt zo goed als onhaalbaar. ,,De evolutie daar naartoe is stilgevallen'', zegt de Commissie. De vijftien halen een gemiddelde van 64,3 procent. Het is nu duidelijk dat de Europese Unie het tussendoel van 67 procent in 2005 niet zal halen. Hét probleem blijft hier de werkzaamheidsgraad van de oudere bevolking, boven 55 jaar. Daar werd in de loop van 2002 voor de hele Unie de drempel gehaald van 40 procent. Tegen 2010 ligt het doel 10 procentpunt hoger. België haalt hier samen met Luxemburg, Oostenrijk en Italië nauwelijks 30 %.

Bureaucratisch

Op de voorjaarstop in maart zal over werkgelegenheid nog maar eens een rapport besproken worden van een expertengroep onder leiding van Wim Kok, de voormalige premier van Nederland.

In die zin is het hele proces over de economische hervormingen een schoolvoorbeeld van hetgeen er schort aan ,,Europa.'' De Unie krijgt veelal het verwijt dat ze onefficiënt en bureaucratisch werkt, met weinig concrete resultaten: de delivery gap. Maar het ,,Lissabonproces'' toont hoe regeringsleiders op een helder moment tot het besef komen dat ze de problemen beter samen aanpakken, maar daarna naar huis terugkeren en de afspraken vergeten. Daarom is een sterkere rol van de Europese Commissie, die verder gaat dan ,,rapporteren'', onmisbaar.