Het ministerie van Economische Zaken bindt forser de strijd aan met fietsen die kwalitatief niet in orde zijn.

De Belgische fietshandelaars zitten in een serieus dispuut met de warenhuizen die ook fietsen slijten. De sfeer is er niet beter op geworden nadat enkele weken geleden uit gegevens van Economische Zaken bleek dat drie op de tien fietsen niet deugen, maar in de berichtgeving daarover niet werd meegegeven dat het vooral de rijwielen uit de supermarkten waren die faalden.

De sfeer is zelfs zo grimmig dat diverse fietshandelaars weigeren nog fietsen te herstellen die niet bij hen of in de supermarkt zijn aangeschaft. Andere fietshandelaars hanteren dan weer een systeem van de witte, oranje en rode kaart. Een fiets die voor herstelling wordt aangeboden, en ook in dezelfde zaak werd aangeschaft, krijgt een witte kaart. Het betekent altijd voorrang op de anderen. De oranje kaart geldt voor de fiets die bij een collega-vakhandelaar werd aangekocht. De rode kaart hangt aan fietsen die uit de supermarkt komen, en de klant verneemt bij de herstelling ook zonder omwegen dat zijn fiets pas als laatste aan de beurt zal komen. Voor de witte, oranje en rode kaart gelden ook verschillende tarieven voor de werkuren van 30, 35 en 40 euro.

De fietssector beseft dat ze iets aan het kwaliteitsimago van de fietsen moet doen, en heeft daarom een overleg opgestart met het departement productveiligheid van Economische Zaken. Op dat ministerie wordt gerekend om voortaan onveilige fietsen uit de handel te nemen. Met de Fietsersbond wordt ook gedokterd aan een systeem om de fiets een jaarlijkse controlebeurt te geven. Een verplichte technische keuring is volgens de fietsfabrikanten echter uitgesloten, omdat de klanten het niet zullen smaken.

Zaakvoerder Patrick Hapers van Hermes-fietsen in Mortsel stelt dat ook in de fietsindustrie het gezegde ,,goedkoop is duurkoop'' geldt. ,,Ik krijg klanten over de vloer die schrikken van de prijs, maar ze komen binnen met een advertentie uit een warenhuis dat fietsen aanprijst voor 89 euro. Dat is dus totaal absurd. Ik heb tegenover die goedkope fietsen een dubbel gevoel. Enerzijds bezorgen ze me werk, want zij staan het meeste in mijn atelier voor herstelling. Anderzijds stel ik vast dat zij verkopen wat ze willen, terwijl wij als fietshandelaar onze kennis moeten bewijzen en een vestigingsattest moeten hebben. Elke fiets die in België wordt verkocht, zou door de handen moeten gaan van een erkend vakman.''

De fietshandelaar vandaag is lang niet meer de man die met een besmeurde schort en vieze handen uit zijn atelier komt om een klant te helpen. ,,Ik vind dat de fietsenmaker nu meer een psycholoog moet zijn. Over het algemeen krijg ik hier twee soorten klanten over de vloer. Aan de ene kant de overgeïnformeerde fietser, die alles weet via het internet, en zelfs kennis heeft van producten die nog niet op de Belgische markt zijn. Tegenover zo iemand moet je als handelaar bewijzen dat je mee kan, en dat vergt dus veel productstudie. De tweede klant is iemand die begeleid wil worden in zijn keuze, maar wel ongeveer weet wat hij wil besteden. Om te tonen dat je hem begrijpt, moet je geen fiets presenteren die ver boven zijn budget zit, en hem uit zijn lood slaat.''

Het aanbod van de fietshandelaar is volgens Hapers eenvoudig. ,,De vraag bepaalt, en de vraag wordt beïnvloed door vedetten en media. Als Armstrong scoort op een Trek, is het Trek. Zit Boonen op een Time, is het een Time.''