De geschiedenis van het geld: van de os tot de euro
De geschiedenis van het geld begint in lang vervlogen tijden en is nauw verbonden met de beschavingen die munten als betaalmiddel hebben geintroduceerd.

GELD heeft niet altijd bestaan in de vorm die we kennen: munten, biljetten en elektronisch geld. De Grieken en de Romeinen betaalden met runderen. Het Latijnse woord voor geld, pecunia , is trouwens afgeleid van pecus , vee. Andere volkeren gebruikten zout, schelpen, kralen en duizenden andere voorwerpen en dieren om handel te drijven. Niet om het even wat was geschikt als ruilmiddel. Neem de os: in de tijd van de Griekse dichter Homeros gold die algemeen als betaalmiddel en ook in vele Afrikaanse culturen was vee een geliefd ruilmiddel. Er was één probleem. Reizende handelaren konden er weinig mee aanvangen. Zij hadden behoefte aan een algemeen aanvaard ruilmiddel dat weinig plaats innam en niet kon bederven. In eerste instantie werd gekozen voor zout. In het oude Rome werden soldaten en officieren ermee betaald en overal ter wereld fungeerde het als koopwaar, statussymbool, waardemeter en betaalmiddel. Veertien eeuwen later vermeldt Marco Polo in zijn reisverslag het gebruik van geperst en officieel gestempeld zout als betaalmiddel tegen een wisselkoers van veertig baren zout per goudstaaf.

In de geschiedenis van het geld heeft metaal al snel een hoofdrol gespeeld. Dankzij hun intrensieke eigenschappen - zoals verdeelbaarheid en duurzaamheid - was het een ideaal en wijdverspreid betaalmiddel. Door de tijd evolueerde het van primitieve grillige vormen naar de munten zoals we ze nu kennen.

Het duurt tot de vijfde en zesde eeuw voor Christus voor de munt doorbrak als betaalmiddel. In die tijd sloegen niet minder dan 1.400 stadstaten en 500 staatshoofden in de Griekse wereld eigen munten, maar het waren de ,,zilveren uilen'' van Athene die de geldmarkt beheersten. Daarna duurde het tot Alexander de Grote voor er eenheidsmunten ingevoerd werden en tot zijn opvolgers voor de portretmunt zijn intrede deed. Daarop prijkte een vergoddelijkte Alexander. Bij de Romeinen was Julius Caesar de eerste die op een munt voorkwam.

In onze contreien sloegen de Gallische stammen in de derde eeuw voor Christus gouden munten naar Griekse voorbeelden. Na de Gallische oorlog kwam daar een eind aan. Er werd overgeschakeld op zilveren en bronzen munten, die later verdrongen werden door Romeinse munten. Sommige daarvan zijn vandaag nog te bewonderen in het museum van de Nationale Bank. Uit de Frankische tijd werden alleen de door muntambtenaren uitgegeven goudstukken met zekerheid aan ons land toegeschreven, maar daarnaast circuleerden ook bronzen en zilveren munten. Het waren deze laatste, de denarii , die het Karolingische muntstelsel vastlegden en gedurende vijf eeuwen de muntomloop bepaalden.

Met de toenemende handel en verstedelijking ontstond vanaf de twaalfde eeuw een toenemende behoefte aan geld. Om daaraan tegemoet te komen, werden in de loop van de dertiende en veertiende eeuw munten met internationale uitstraling geslagen. De Bourgondische hertogen zetten later ook een grote stap naar de eenmaking van ons muntwezen. Filips de Goede sloeg vanaf 1434 voor vier gewesten munten van gelijk type, gewicht en gehalte. Om ze van elkaar te kunnen onderscheiden, droegen ze provinciale symbolen.

Op papiergeld was het in ons land veel langer wachten. Terwijl de Chinese vorsten al eeuwen hun eigen biljetten drukten, duurde het tot de zeventiende eeuw voor papiergeld bij ons opduikt. Al waren er wel al voorlopers: de certificaten of depositobewijzen, die al van voor de Middeleeuwen dateren. Ze werden door particulieren, edelsmeden, wisselaars of instituten overhandigd aan deponenten van edelmetaal en gingen na verloop van tijd in de plaats daarvan circuleren.

Het bankbiljet zelf verscheen in de loop van de zeventiende eeuw, verspreidde zich in de achttiende eeuw en kwam tot volle ontplooiing in de negentiende eeuw. Aanvankelijk werd het uitgegeven door privébanken, later vooral door de centrale banken. Dat uitgifteproces verliep met de nodige schokken. In België bijvoorbeeld, gaf de Banque d'Ostende et de Bruxelles op het einde van de Oostenrijkse periode biljetten uit die spoedig het vertrouwen verloren en kort daarna stortten de niet-gedekte assignaten van de Franse overheerser de bevolking in een rampzalig avontuur.

Het leven van de Belgische frank begon in 1832, twee jaar nadat het koninkrijk België het levenslicht had gezien. Bij een nieuwe staat hoorde een nieuwe munt, maar de machthebbers hadden twee jaar nodig om te bepalen welke het moest worden. Het werd uiteindelijk, naar Frans voorbeeld, de frank. Andere mogelijkheden die in die tijd geopperd werden, waren gulden, pond of zelfs het curieuze pentagram. Niet alleen de naam werd aan de Franse munt ontleend, maar ook de nominale waarde en het gehalte zilver of goud dat de munten volgens de wet moesten bevatten.

Het jonge België had dan wel een eigen munt, maar van een coherent monetair beleid was nog geen sprake. Dat kwam vooral omdat er nog geen nationale bank was. Zowel het slaan van munten als het uitgeven van bankbiljetten werd aan de privé-sector overgelaten. Het gevolg was dat vier banken hun eigen biljetten gingen uitgeven. Een daarvan was de Algemeene Nederlandsche Maatschappij voor Volksvlijt, ook wel bekend als Société Générale. De maatschappij was al voor de Belgische onafhankelijkheid opgericht en gaf al bankbiljetten uit. Om een einde te maken aan de onderlinge concurrentie en de daaruit voorvloeiende chaos, werd in 1850 de Nationale Bank opgericht, die het monopolie kreeg op de uitgifte van bankbiljetten. In die tijd werd ook een papieren muntstandaard geïntroduceerd die het nog meer dan een eeuw zou volhouden: er werden biljetten van 20, 50, 100 en 1.000 frank uitgegeven.

Hoewel orde op zaken was gesteld wat de biljetten betreft, was dat bij het muntgeld nog geenszins het geval. Voor het aanmaken van munten bestond nog geen monopolie: iedereen die dat wilde, kon van zilver of goud munten laten slaan. Toen de zilverprijs fors daalde, werd dat een lucratieve bezigheid, omdat een munt veel meer waard was dan het zilver dat erin verwerkt was. Nieuwe speculatie was het gevolg, tot de overheid in 1878 het vrij aanmaken van munten verbood. Sinds die datum vormen niet de zilver-, maar de goudvoorraden de basis voor de Belgische munt.

Tot 1886 stonden op biljetten en munten geen Nederlandstalige opschriften. Het was senator baron De Coninck die in het parlement pleitte voor het gebruik van het Nederlands. Het kostte hem niet minder dan acht jaar om het voorstel goedgekeurd te krijgen. Het eerste Nederlandstalige opschrift prijkte op een munt, twee jaar later volgden de eerste biljetten. Het bedrag werd telkens op de voorzijde in het Frans vermeld, op de keerzijde in het Nederlands.

In 1926 werd de frank voor het eerst gedevalueerd. Om de breuk met het verleden te benadrukken, werd meteen een nieuwe munteenheid ingevoerd: de belga, die goed was voor 5 frank. Op biljetten werden beide munteenheden naast of onder elkaar vermeld, een praktijk die tot na de Tweede Wereldoorlog zou voortduren. Toen stierf de belga een stille dood.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de regering vastbesloten om niet dezelfde fouten te maken als in WO I, toen de bevolking voor het eerst kennismaakte met hyperinflatie. Om dat scenario te vermijden, had de toenmalige minister van financiën Camille Gutt een grootschalig plan bedacht. Zijn idee was de volledige geldhoeveelheid te vervangen en zo een muur te bouwen tussen de oorlogs- en de vredeseconomie. De Gutt-operatie, die met militaire precisie werd uitgevoerd, slaagde op zowat alle fronten. Het enige lek was de uitzonderingspositie die liefdadigheidsinstellingen kregen. Veel rijke, goedgeïnformeerde Belgen brachten hun overtollige, ongeldig geworden bankbiljetten naar kloosters en kerken, die soms miljoenenbedragen in ontvangst namen. De verdere naoorlogse monetaire geschiedenis stond eerst in het teken van het verdrag van Bretton Woods, dat in 1944 werd afgesloten, en daarna van de Europese monetaire eenwording. Daarvoor werd al in 1958 een eerste basis gelegd, later gevolgd door de oprichting van de Europese muntslang, het Europees Monetair Stelsel en de Europese Monetaire Unie. Daarmee werd onherroepelijk het doodvonnis getekend van de Belgische frank, die op 28 februari 2002 moest plaatsmaken voor de Europese eenheidsmunt: de euro. Maar dat is een verhaal apart.