ALS buitenlanders al iets weten van Belgische fiscaliteit, dan is het dat meerwaarden op aandelen in de regel niet belastbaar zijn. Als het van de belastingadministratie en van de minister van Financiën afhangt, dan zal dit weldra tot het verleden behoren. Voor de kamercommissie voor Financiën en Begroting verdedigt de minister een zeer ruime definitie van het begrip ,,divers inkomen'' en een zeer enge definitie van het begrip ,,goede huisvader''. Het is echter niet zeker of hij hierin door de rechtspraak zal gevolgd worden.

Op het einde van vorig jaar heeft de belastingadministratie zich geamuseerd met het opzoeken van alle publicaties in het Belgisch Staatsblad waaruit bleek dat een belastingplichtige een holdingvennootschap had opgericht, waarin hij aandelen van zijn exploitatievennootschap of -vennootschappen heeft ingebracht. We waren het al gewoon dat de administratie een meerwaardebelasting vestigde wanneer iemand zijn aandelen verkocht aan een door hem of haar gecontroleerde vennootschap (de zogenaamde interne meerwaarden), maar het belasten van een inbreng als divers inkomen is nieuw. Per slot van rekening heeft men zowel voor als na de verrichting alleen maar aandelen in handen. De aandelen van de holdingvennootschap vertegenwoordigen wel een hoger kapitaal omdat bij de inbreng de aandelen van de exploitatievennootschap op hun werkelijk waarde worden gewaardeerd.

De administratie baseert zich voor haar taxaties op artikel 90, 1° van het wetboek van de inkomstenbelastingen. Sommige auteurs gaan ervan uit dat dit artikel enkel de belasting van meerwaarden op aandelen toelaat, als die meerwaarde het gevolg is van speculatie. Er is speculatie telkens wanneer men iets koopt met het risico op verlies, maar in de hoop het op korte termijn weer te kunnen verkopen met winst. Dat is zelden het geval voor de situaties waarin aandelen van een familiale vennootschap worden verkocht aan of ingebracht in een eveneens familiale holding.

Hetzelfde artikel stelt echter ook dat de meerwaarden in privaat vermogen alleen zijn vrijgesteld, indien zij voortvloeien uit het ,,normaal beheer'' van dat privaat vermogen. Het is precies daar dat het schoentje wringt. Wat is precies normaal beheer en wanneer wordt het beheer abnormaal en bijgevolg de meerwaarde belastbaar ?

Van een doorgewinterde liberaal als onze minister van Financiën zou men verwachten dat hij een liberale evolutieve interpretatie van het begrip ,,normaal beheer'' voorstaat. Wat 50 jaar geleden nog abnormaal was, wordt vandaag de dag vaak als doodnormaal aangemerkt. Als het echter gaat om de belangen van de Schatkist, wordt hij plots erg conservatief. Alhoewel de oprichting en werking van familiale holdingvennootschappen al jaren in de gespecialiseerde en de vulgariserende pers wordt beschreven, vindt de Minister dat ,,er () bezwaarlijk (kan) worden gesteld dat de oprichting van een eigen holding een normale verrichting is in het kader van het beheer van een privé-vermogen''. Hij voegt er wel aan toe dat dit een feitenkwestie is, die geval per geval moet bekeken worden.

Hierbij verliest de minister, en met hem de belastingadministratie, wel uit het oog dat de rechtspraak aan de begrippen ,,goede huisvader'' en ,,normaal beheer'' wel een eigentijdse invulling geeft. Zo oordeelde de rechtbank van eerste aanleg van Bergen in een vonnis van 14 oktober 2003 (Fiscoloog nr. 910) dat het niet onredelijk is voor een goede huisvader dat hij, met respect voor de wettelijke bepalingen, de fiscale last zoveel mogelijk wil beperken om aldus te kunnen beschikken over hogere netto inkomsten. Het ging om een verkoop van aandelen van een familiale onderneming aan een door dezelfde aandeelhouders opgerichte holding voor een bedrag van ruim 3,8 miljoen euro en een meerwaarde van ruim 3,7 miljoen euro. Tegen dit vonnis heeft de staat beroep aangetekend.

Eenzelfde tendens kan men afleiden uit een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Luik van 15 januari 2004 (Fiscale Koerier, 2004, nr. 7). Deze rechtbank vindt de begrippen fiscale engineering en goede huisvader niet noodzakelijk onverzoenbaar. Ook een goede huisvader zal een voor de hand liggende belastingbesparing nastreven. Dit maakt het beheer nog niet abnormaal of speculatief.

Gelet op de uitlatingen van de minister voor de Kamercommissie op 20 april 2004 valt te vrezen dat de betrokken belastingplichtigen een hele lijdensweg te wachten staat om hun gelijk bevestigd te zien. Zij kunnen hun ervaringen dan delen met diegenen die de aftrek van de bijkomende aankoopkosten op gronden hebben verdedigd tegen een administratie die vier cassatiearresten nodig had, alvorens zich bij vaste rechtspraak neer te leggen. Het lijkt er soms op dat de minister of de administratie hun best doen om vooral de belastingconsulenten en advocaten rijk te maken.

Deze rubriek verschijnt wekelijks op donderdag. De auteur is advocaat bij Dumon, Sablon & Vanheeswijck.